ECLI:NL:CBB:2005:AT6111
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Hoger beroep
- C.M. Wolters
- C.J. Borman
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vergoeding proceskosten in samenhangende bezwaarprocedures FM-frequentieverlening
In deze zaak ging het om het hoger beroep van Vereniging Veronica en aanverwante partijen tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam, waarin werd geoordeeld dat zeven bezwaarschriften tegen besluiten van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat over FM-frequentieverleningen als samenhangende zaken konden worden beschouwd. De appellanten stelden dat de besluiten niet nagenoeg identiek waren en dat de werkzaamheden voor elk bezwaarschrift substantieel verschilden, waardoor een forfaitaire vergoeding onvoldoende was.
Het College overwoog dat de besluiten inhoudelijk en qua motivering identiek waren, met slechts beperkte verschillen in bijlagen over frequenties. De rechtsgevolgen waren nagenoeg identiek, namelijk het gebruik van FM-frequenties voor landelijke commerciële radio. De werkzaamheden van de gemachtigde waren naar aanpak en inhoud nagenoeg gelijk, waardoor sprake was van samenhangende zaken. De rechtbank had terecht de vergoeding forfaitair vastgesteld met een wegingsfactor van 1,5.
Verder oordeelde het College dat appellanten geen expliciet verzoek hadden gedaan voor een hogere vergoeding op grond van bijzondere omstandigheden, zoals bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Ook was geen sprake van een schrijnend geval dat een afwijking van het forfaitaire stelsel rechtvaardigde. Het beroep op het EVRM en het Pressos-arrest werd verworpen omdat appellanten geen eigendomsrecht hadden op volledige vergoeding van kosten.
Ten slotte werd bevestigd dat de kosten voor het opvragen van primaire besluiten niet voor vergoeding in aanmerking kwamen omdat deze besluiten niet als uittreksels uit het openbare frequentieregister konden worden aangemerkt. Het College bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de forfaitaire vergoeding van proceskosten wordt bevestigd.