ECLI:NL:CBB:2006:AY6704
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke uitspraak over terugvordering akkerbouwsubsidie wegens niet-premiewaardige percelen
Appellante, een maatschap, stelde beroep in tegen een besluit van de Minister van Landbouw waarin een eerdere toekenning van akkerbouwsubsidie over het jaar 2000 werd herzien en de subsidie werd teruggevorderd wegens het opgeven van percelen die niet aan de definitie van akkerland voldeden. Verweerder had op basis van satellietbeelden en een rapport van GeoRas vastgesteld dat enkele percelen deels als blijvend grasland waren gebruikt en daarom niet subsidiabel waren.
Het College oordeelde dat verweerder verplicht was de onverschuldigde betalingen terug te vorderen op grond van Europese verordeningen, en dat de terugvordering niet in strijd was met het vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel, omdat appellante onvoldoende bewijs had geleverd dat de percelen wel premiewaardig waren. Wel werd het bestreden besluit deels vernietigd vanwege een onjuiste berekeningswijze, waarna het nadere besluit van verweerder werd bevestigd.
De procedurekosten werden opgelegd aan verweerder en appellante kreeg het betaalde griffierecht vergoed. Het College benadrukte dat de bewijslast bij de aanvrager ligt om aan te tonen dat percelen voldoen aan de subsidieregels en dat terugvordering van subsidies ook voor meerdere jaren achtereen kan plaatsvinden zonder strijd met het evenredigheidsbeginsel.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard voor de berekeningswijze van de subsidie, het terugvorderingsbesluit wordt bevestigd en verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.