3. Het bestreden besluit
Verweerder heeft bij het bestreden besluit, in navolging van het advies van de bezwaarschriftencommissie en op de gronden genoemd in dat advies, het bezwaar ongegrond verklaard en de besluiten in stand gelaten. Aan het bestreden besluit liggen, samengevat weergegeven, de volgende overwegingen ten grondslag.
Niet is gebleken dat de aantallen schapen waarop de opgelegde naheffingen zijn gebaseerd onjuist zijn, zodat van die aantallen kan worden uitgegaan. Niet ter discussie staat dat C een Belgische, althans een niet in Nederland gevestigde, ondernemer is. Artikel 2, derde lid, derde streepje van de Verordening huishoudelijke heffingen (PVV) is derhalve van toepassing op de transacties met C. Bepalend is het moment waarop de dieren worden afgeleverd aan de rechtspersoon wiens bedrijf niet in Nederland is gevestigd. Niet van belang is of die overdracht al dan niet in Nederland plaatsvindt. Op grond van dit artikellid is duidelijk dat sprake is van uitvoer zodra de dieren buiten het bereik van de Nederlandse bedrijfsgenoten/ondernemers worden gebracht. Het argument dat niet is aangetoond en ook niet kan worden aangetoond dat de schapen daadwerkelijk zijn geëxporteerd, kan om die reden geen doel treffen. Nu door appellant niet wordt ontkend dat hij de betreffende schapen in 2004 en 2005 heeft afgeleverd aan de buiten Nederland gevestigde (Belgische) ondernemer C, volgt uit de toepasselijke heffingsverordeningen dat appellant hiervoor de opgelegde naheffingen verschuldigd is.
Het argument dat over de schapen dubbele heffing wordt afgedragen indien een Nederlandse ondernemer deze schapen van C koopt om deze schapen in Nederland te laten slachten dan wel door te verkopen aan een buitenlandse ondernemer, faalt. Wat er ook van die mogelijke dubbele heffing zij, dit laat onverlet dat appellant heffingsplichtig is.
Van onverbindendheid van de heffingsverordeningen is geen sprake. Er is geen grond te oordelen dat deze verordeningen in strijd zijn met een hogere regeling. Niet valt in te zien dat als gevolg van de toepassing van deze verordeningen de nuttige functie van concurrentie wordt uitgeschakeld, laat staan dat uitsluiting van mededinging plaatsvindt. Van omkering van de bewijslast is evenmin sprake. Het is logisch dat degene die stelt dat geen heffing meer verschuldigd is omdat deze al is betaald, dit naar genoegen zal moeten aantonen. Daarbij wordt opgemerkt dat het bedrag dat met de heffing is gemoeid – naar mag worden aangenomen – wordt verdisconteerd in de door de verkrijger van de dieren betaalde prijs, hetgeen temeer reden zou zijn dat de heffing niet nog een keer verschuldigd is. Indien dit “bewijs” is aanvaard, is de betreffende ondernemer geen heffing meer verschuldigd. Van enige beperking of vervalsing van de mededinging is dan ook geen sprake.
Naar aanleiding van het beroep heeft verweerder daar nog het volgende aan toegevoegd. Mochten de heffingsverordeningen al een goedkeuringsgebrek hebben, dan zijn deze door de wijziging van de Wbo van 8 november 2007 niet op die grond onverbindend.
De stelling dat het risico bestaat dat over hetzelfde schaap dubbel heffing wordt betaald, mist voor de onderhavige schapen feitelijke grondslag en is slechts hypothetisch en speculatief van aard. Niet gesteld of gebleken is dat er concrete aanwijzingen zijn dat (een deel van) de aan C verkochte schapen door C zijn doorverkocht aan een Nederlandse ondernemer die voor deze schapen ook heffing heeft afgedragen.
Dat verweerder moet bewijzen dat bij verkoop aan een buitenlandse koper het schaap ook daadwerkelijk is uitgevoerd, is onjuist. De heffingsverordeningen bepalen immers dat aflevering van dieren aan een buitenlands bedrijf als uitvoer wordt aangemerkt, ongeacht of de ontvangst al dan niet plaatsvindt in Nederland.