3. Het bestreden besluit
Bij het bestreden besluit is het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Hiertoe is, samengevat weergegeven, het volgende overwogen.
Appellant handelt in varkens en is derhalve een onderneming waarvoor verweerder is ingesteld. Verweerder is bevoegd om ten aanzien van ondernemingen waarvoor hij is ingesteld, heffingen op te leggen.
In het onderhavige geval gaat het om de vraag of appellant een ondernemer is die dieren in het handelsverkeer brengt als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Verordening huishoudelijke heffing dieren 2003 en derhalve heffingsplichtig is.
Bij uitvoer is van belang wie verantwoordelijk is voor de uitvoer uit Nederland. Het gaat hierbij niet om een eventuele transporteur, aangezien een transporteur geen ondernemer is waarvoor verweerder is ingesteld. In het geval een transporteur in opdracht van een Nederlandse ondernemer dieren uitvoert naar een andere lidstaat van de EU is de opdrachtgever, indien dit een ondernemer is waarvoor verweerder is ingesteld, de ondernemer aan wie verweerder een heffing mag en moet opleggen. Verweerder duidt die ondernemer aan als de "laatste Nederlandse schakel".
Niet in geschil is dat appellant heeft zorggedragen voor het daadwerkelijk uitvoeren van de betreffende varkens naar een andere lidstaat van de EU. Vaststaat dat appellant geen transporteur is, maar een onderneming waarvoor verweerder is ingesteld. Daarmee is appellant aan te merken als de laatste Nederlandse schakel en dientengevolge heffingsplichtig. Aan welke onderneming de betreffende producten worden geleverd die in het handelsverkeer worden gebracht, is niet van belang en zou overigens voor verweerder tot oncontroleerbare situaties kunnen leiden.
De privaatrechtelijke verhouding tussen appellant en C Vlees B.V. (hierna: C) doet niet ter zake, omdat de heffingsplicht voortvloeit uit de heffingsverordeningen. Indien een ondernemer wenst dat de heffing niet te zijnen laste komt, kan hij dit bij overeenkomst regelen. Daarmee kan echter geen afbreuk worden gedaan aan verweerders bevoegdheid op grond van de heffingsverordeningen heffingen op te leggen aan de heffingsplichtige ondernemer.
Het voor juist aannemen dat op grond van de door appellant aangevoerde omstandigheden een derde heffingsplichtig is, zou ertoe leiden dat verweerder eerst een onderzoek zou moeten instellen naar de aard van de privaatrechtelijke verhouding teneinde te bepalen wie heffingsplichtig is. Verweerder is hiervoor in onvoldoende mate toegerust. Bovendien is het in een sector waar het gebruikelijk is afspraken niet schriftelijk vast te leggen ondoenlijk om eerst een onderzoek in te stellen alvorens heffingen op te leggen. Daarom is gekozen voor een systematiek waarbij op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld wie heffingsplichtig is, namelijk de ondernemer waarvoor verweerder is ingesteld en die als laatste schakel in Nederland verantwoordelijk is voor de uitvoer van de dieren naar een andere lidstaat.
Uit de op 6 en 7 juni 2004 gehouden controle van de bedrijfsadministratie van C is gebleken dat appellant varkens heeft afgeleverd in Legden (Duitsland). Naar aanleiding hiervan heeft op 16 november 2004 bij appellant een controle van de bedrijfsadministratie plaatsgevonden, waarbij is geconstateerd dat voor 17.964 varkens geen exportheffing is afgedragen. Daarop is de bestreden heffing opgelegd.
Appellants argument dat hij slechts als vertegenwoordiger van C is opgetreden, treft overigens ook geen doel. Blijkens het gestelde tijdens de hoorzitting waren de varkens tijdens het transport eigendom van appellant en werden de dieren voor rekening en risico van appellant getransporteerd.
Of appellant van C een vergoeding voor het transport heeft ontvangen, doet niet af aan de heffingsplicht. Overigens is niet aannemelijk dat deze vergoeding, op de facturen vermeld als PVV-toeslag, ten bedrage van € 3,-- per dier, tevens ziet, althans mede betrekking kan hebben, op de vergoeding voor de PVV-heffing. Immers, indien men voor de drie transporten de kosten van de RVV, de transportkosten en de kosten van de exportverzamelplaatsen berekent en deelt door het aantal getransporteerde dieren, komen de kosten afgerond op € 2,-- per dier, zodat uit het overige de € 0,97 per varken kan worden voldaan.
De conclusie is dat de heffing terecht is opgelegd.