ECLI:NL:CBB:2009:BI4255
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen fictieve weigering aanwezigheidsvergunning
Appellante heeft op 26 maart 2002 een aanvraag ingediend voor een aanwezigheidsvergunning voor kansspelautomaten in haar horecagelegenheid. Omdat verweerder niet tijdig op de aanvraag besliste, maakte appellante bezwaar tegen de fictieve weigering, maar deed dit pas bijna vier jaar later op 1 maart 2006.
Verweerder verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens te late indiening, een standpunt dat door het College werd bevestigd. Het College oordeelde dat appellante, gelet op het feit dat zij in 2002 de speelautomaten uit gebruik had genomen wegens het ontbreken van een vergunning en daardoor schade leed, eerder bezwaar had moeten maken.
Appellante stelde dat zij meerdere toezeggingen had gekregen dat spoedig een besluit zou volgen, maar kon dit niet aannemelijk maken. Ook het beroep op ongelijke behandeling met andere inrichtingen werd buiten beschouwing gelaten omdat het niet relevant was voor de ontvankelijkheid van het bezwaar.
Het College concludeerde dat het bezwaar onredelijk laat was ingediend en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de fictieve weigering van de aanwezigheidsvergunning wordt ongegrond verklaard.