ECLI:NL:CBB:2009:BI4886
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verdachtverklaring en doding evenhoevige dieren wegens mond- en klauwzeer
Appellant maakte bezwaar tegen besluiten waarbij zijn evenhoevige dieren verdacht werden verklaard van besmetting met mond- en klauwzeer (mkz) en gedood moesten worden. Dit volgde op een besmetting op een nabijgelegen bedrijf, het primaire bedrijf, waaruit bleek dat dieren positief waren getest op mkz.
Het College oordeelde dat verweerder redelijkerwijs mocht aannemen dat de dieren van appellant in de gelegenheid waren geweest om besmet te raken, gelet op de nabijheid binnen een straal van één kilometer en het besmettelijke karakter van het mkz-virus. De maatregelen tot doding waren daarom gerechtvaardigd volgens de geldende wet- en regelgeving.
Appellant voerde onder meer aan dat het onderzoek onvoldoende was en dat de status van het laboratorium niet voldeed aan de richtlijn, maar deze bezwaren werden verworpen omdat ze niet tijdig in de bezwaarprocedure waren ingebracht.
Het beroep werd ongegrond verklaard, waarbij het College het belang van snelle en doeltreffende bestrijding van mkz benadrukte en geen disproportionaliteit zag in de genomen maatregelen.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot verdachtverklaring en doding van de evenhoevige dieren is ongegrond verklaard.