ECLI:NL:CBB:2003:AF2741
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- H.C. Cusell
- J.A. Hagen
- M.A. Fierstra
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid en bevoegdheid tot preventieve ruiming bij verdenking mond- en klauwzeer
Appellanten voerden beroep aan tegen het besluit van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees om hun evenhoevige dieren preventief te ruimen wegens verdenking van mond- en klauwzeer (mkz).
Het College stelde vast dat op het primaire bedrijf klinische verschijnselen van mkz waren geconstateerd en dat verweerder redelijkerwijs kon aannemen dat de dieren van appellanten binnen een straal van één kilometer in contact konden zijn gekomen met het mkz-virus. Daarom was de verdenking en het besluit tot doding van de dieren rechtmatig.
Appellanten betoogden dat Richtlijn 85/511/EEG een uitputtend regime bevat en dat verdere nationale maatregelen niet zijn toegestaan, alsmede dat vaccinatie een minder ingrijpend alternatief was. Verweerder stelde dat de richtlijn minimummaatregelen bevat en dat aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn voor effectieve bestrijding.
Het College concludeerde dat de vraag of lidstaten bevoegd zijn tot aanvullende nationale maatregelen, waaronder doding van verdachte dieren, niet duidelijk is en verwees prejudiciële vragen naar het Hof van Justitie. Totdat het Hof uitspraak doet, wordt verdere beslissing aangehouden.
Uitkomst: Het College acht de doding van verdachte dieren rechtmatig maar verwijst prejudiciële vragen over de bevoegdheid tot aanvullende nationale maatregelen naar het Hof van Justitie en houdt verdere beslissing aan.