ECLI:NL:CBB:2010:BN6911
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Hoger beroep
- E.R. Eggeraat
- B. Verwayen
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke boeteoplegging en versnelde procedure in bouwfraudezaak GWW-sector
Deze zaak betreft het hoger beroep van een bouwonderneming tegen een boetebesluit van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) wegens deelname aan een systeem van vooroverleg bij aanbestedingen in de grond-, weg- en waterbouw (GWW) sector tussen 1998 en 2001.
NMa had een versnelde sanctieprocedure ingesteld waarbij ondernemingen afstand deden van bepaalde rechten in ruil voor een boetevermindering van 15%. Appellante had aan deze procedure deelgenomen, maar betwistte in bezwaar en beroep de toepassing van de voorwaarden van deze procedure in latere fasen, met name de beperking van haar rechten van verdediging.
Het College oordeelt dat de versnelde procedure, inclusief de voorwaarden en de beperking van rechten, niet in strijd is met artikel 6 EVRM Pro en dat appellante bewust voor deze procedure heeft gekozen. De boetegrondslag, gebaseerd op de aanbestedingsomzet van 2001, wordt als redelijk en niet onredelijk beoordeeld, evenals het beleid rond de ijkjaarcorrectie. De mate van betrokkenheid van appellante is vastgesteld en geacht als vaststaand, waarbij onvoldoende concrete onderbouwing is geleverd om een afwijking te rechtvaardigen.
Verder wordt het clementiebeleid van NMa bevestigd als consistent met de richtsnoeren en wordt de toepassing van het begrip additionele waarde aanvaard. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat de zaak niet vergelijkbaar is met andere kartelzaken. Het beroep van appellante wordt afgewezen en het bestreden besluit wordt bekrachtigd.
Uitkomst: Het College bekrachtigt het boetebesluit van NMa en verklaart het hoger beroep van appellante ongegrond.