ECLI:NL:CBB:2010:BO0961
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- B. Verwayen
- E.R. Eggeraat
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen boeteoplegging in bouwfraudeonderzoek wegens overtreding Mededingingswet
In deze zaak staat het hoger beroep centraal tegen een boete opgelegd door de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) aan twee bouwbedrijven vanwege overtreding van artikel 6 van Pro de Mededingingswet en artikel 81 EG Pro-verdrag. De overtreding betreft deelname aan een landelijk systeem van vooroverleg in de grond-, weg- en waterbouwsector (GWW) tussen 1998 en 2001, waarbij mededinging werd beperkt door afspraken over werkverdeling en inschrijfgedrag.
De ondernemingen kozen voor deelname aan een versnelde sanctieprocedure, waarbij zij afstand deden van bepaalde rechten zoals individuele inzage en betwisting van de feiten en juridische beoordeling in het rapport. NMa legde een boete op met 15% korting vanwege deelname aan deze procedure. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellanten hoger beroep instelden.
Het College van Beroep oordeelt dat de versnelde procedure rechtsgeldig was, dat de ondernemingen bewust afstand deden van rechten, en dat de voorwaarden ook in bezwaar- en beroepsfase van toepassing zijn. De keuze voor de boetegrondslag, gebaseerd op de aanbestedingsomzet 2001, wordt als passend en niet onredelijk beschouwd. Appellanten konden onvoldoende aantonen dat hun mate van betrokkenheid zodanig gering was dat een lagere boete gerechtvaardigd was. Verder is geen sprake van ongelijke behandeling ten opzichte van andere rapporten of het grootbedrijf. De toepassing van de clementieregeling en boetevermindering voor kleine ondernemingen is eveneens rechtmatig bevonden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de boeteoplegging blijft gehandhaafd.