ECLI:NL:RBROT:2008:BG0954
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke uitspraak over boeteoplegging en clementieregeling in bouwfraudezaak GWW-sector
Deze bestuursrechtelijke procedure betreft een boetebesluit van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) aan Lareco Nederland B.V. en Aduco Holding B.V. wegens deelname aan verboden kartelafspraken in de grond-, weg- en waterbouwsector (GWW) in de periode 1998-2001.
De NMa legde een boete op van €517.234,- aan Lareco Nederland B.V., die hoofdelijk aansprakelijk werd gesteld, en rekende de overtreding mede toe aan Aduco Holding B.V. vanwege haar 100% aandeelhouderschap en beslissende invloed. De boetegrondslag was de aanbestedingsomzet van 2001, met een boetepercentage van 10% vanwege deelname aan een systeem van vooroverleg.
Eiseressen voerden onder meer aan dat de voorwaarden van de versnelde procedure eenzijdig waren gewijzigd, dat de boetegrondslag onredelijk was, dat de toerekening aan de moedermaatschappij onrechtmatig was, en dat er sprake was van ongelijke behandeling en schending van het motiveringsbeginsel. De rechtbank oordeelde dat deelname aan de versnelde procedure vrijwillig was en dat de feiten en overtreding geacht werden vast te staan, waardoor betwisting in de beroepsfase niet mogelijk was.
Verder werd geoordeeld dat de keuze voor de aanbestedingsomzet 2001 als boetegrondslag binnen de discretionaire bevoegdheid van de NMa viel en niet onredelijk was. De toerekening aan de moedermaatschappij was gegrond op Europese jurisprudentie en het ontbreken van weerlegging van het vermoeden van economische eenheid. De rechtbank verwierp ook de bezwaren tegen de clementieregeling en boetevermindering voor kleine bedrijven en concludeerde dat de redelijke termijn niet was overschreden.
Het beroep werd ongegrond verklaard en de boete en toegepaste maatregelen bleven gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de boete blijft gehandhaafd.