ECLI:NL:CBB:2010:BO0990
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- B. Verwayen
- E.R. Eggeraat
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen boeteoplegging bouwfraude wegens overtreding Mededingingswet
In deze zaak gaat het om hoger beroep van A B.V. en B B.V. tegen een boetebesluit van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) wegens overtreding van artikel 6 Mededingingswet Pro en artikel 81 EG Pro-verdrag in het kader van het bouwfraudeonderzoek.
Het geschil betreft met name de toepassing en voorwaarden van de versnelde sanctieprocedure, de boetegrondslag gebaseerd op de aanbestedingsomzet 2001, de mate van betrokkenheid van appellanten bij het kartel, en de toepassing van clementievoorwaarden. Het College oordeelt dat de versnelde procedure rechtsgeldig is toegepast, waarbij appellanten bewust afstand deden van bepaalde rechten in ruil voor boetevermindering en een snellere procedure. De boetegrondslag en het gekozen ijkjaar zijn passend gelet op de aard van de overtreding en de bijzondere context van de schoon-schip-operatie.
Verder is vastgesteld dat appellanten onvoldoende concreet hebben onderbouwd dat hun mate van betrokkenheid zodanig gering is dat een lagere boete gerechtvaardigd is. Ook is geen sprake van ongelijke behandeling ten opzichte van andere betrokken ondernemingen. De toepassing van de clementieregeling is conform de geldende richtsnoeren en er is geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel. De faciliteit van specifieke adressering is aan appellanten aangeboden, maar zij hebben hier geen gebruik van gemaakt.
Ten slotte is de redelijke termijn van de procedure geacht niet te zijn overschreden gezien de complexiteit en omvang van het onderzoek. Het College bevestigt daarmee het boetebesluit en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het boetebesluit van NMa wordt bevestigd.