ECLI:NL:CBB:2010:BO2556
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- J.L.W. Aerts
- H.A.B. van Dorst-Tatomir
- M. van Duuren
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid retributies post mortem-keuringen onder Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
Appellante, exploitant van een slachterij, maakte bezwaar tegen door de Minister opgelegde retributies voor post mortem-keuringen uitgevoerd door officiële assistenten in opdracht van de VWA. Zij betwistte de rechtmatigheid van de Regeling retributies, onder meer vanwege het ontbreken van een aanbestedingsprocedure bij de overeenkomst tussen VWA en KDS en de opname van een opslag in het kwartiertarief voor de opbouw van een weerstandsvermogen.
Het College oordeelt dat mogelijke procedurele gebreken bij de totstandkoming van de overeenkomst tussen VWA en KDS niet leiden tot onverbindendheid van de Regeling, aangezien de grondslag van de kostenheffing in de Regeling zelf ligt. Voorts is vastgesteld dat de opslag in het kwartiertarief niet duidelijk is afgebakend, maar dat het onderdeel van de heffing voor het weerstandsvermogen lager is dan € 2,50 en binnen de keuringskosten valt, aangezien het bedoeld is om continuïteit en opleiding te waarborgen.
De stelling dat de opslag staatssteun zou vormen, wordt verworpen omdat KDS geen voordeel ontvangt boven de werkelijke kosten. De totale retributies zijn lager dan de werkelijke kosten van de VWA. Het College concludeert dat de Regeling niet in strijd is met de toepasselijke Europese Richtlijn en verklaart de beroepen ongegrond.
Uitkomst: De beroepen van appellante tegen de heffingen voor post mortem-keuringen worden ongegrond verklaard.