Het College van Beroep voor het bedrijfsleven behandelde het hoger beroep van NDC Radio B.V. tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam inzake frequentievergunningen voor de kavels B27 en B31. De minister van Economische Zaken had deze vergunningen aan NDC verleend, terwijl RATO zendertechniek bezwaar maakte vanwege onvoldoende regiogerichtheid van het programma-aanbod.
Na een tussenuitspraak en een nieuw besluit van de minister, handhaafde deze de vergunningverlening aan NDC ondanks twijfel over het programma-aanbod, omdat het financiële bod van NDC hoger was. RATO stelde dat het programma-aanbod van NDC minder dan 10% regiogericht was, hetgeen de minister ten onrechte niet volledig had erkend.
Het College concludeerde dat het programma-aanbod van NDC slechts 9,36% regiogericht was, onder de wettelijke minimumnorm van 10%, en dat de minister daarmee in strijd met de wet vergunningen had verleend. De besluiten van 3 maart 2008 werden herroepen en de aanvragen van NDC afgewezen. De afwijzing van RATO werd bevestigd omdat haar aanvraag onvoldoende inzicht gaf in het regionale karakter van de programmering.
Het College veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten van RATO en legde griffierechten op. Hiermee werden de rechtsgevolgen van het besluit van 23 augustus 2012 deels in stand gehouden, namelijk de afwijzing van RATO's aanvragen.