ECLI:NL:CBB:2013:35

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
3 juli 2013
Publicatiedatum
9 juli 2013
Zaaknummer
AWB 12/355
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 6:19 AwbArtikel 34, tweede lid, Verordening (EG) nr. 73/2009Besluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen herroepen besluit bedrijfstoeslag 2010

Appellante Booroola C.V. had bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van haar aanvraag voor bedrijfstoeslag 2010 door de staatssecretaris van Economische Zaken. Na gedeeltelijke gegrondverklaring van het bezwaar stelde de staatssecretaris de toeslag vast op € 5.527,07. Het College gaf bij tussenuitspraak opdracht tot aanpassing van het besluit conform Europese regelgeving. Hierop verhoogde de staatssecretaris de toeslag tot € 6.981,75.

Appellante reageerde op het nieuwe besluit en gaf aan dat dit volledig aan haar bezwaren tegemoet kwam. Het College besloot daarop het beroep tegen het eerdere besluit niet-ontvankelijk te verklaren, omdat het nieuwe besluit het geschil feitelijk afhandelde. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten, vanwege een aan hem toe te rekenen gebrek in het oorspronkelijke besluit.

De procedure werd gesloten zonder verdere zitting, waarbij het College het belang van appellante bij vernietiging van het eerdere besluit ontbrak. De uitspraak bevestigt het belang van een juiste herbeoordeling en de toepassing van de bestuurlijke lus in bestuursrechtelijke procedures.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 22 februari 2012 wordt niet-ontvankelijk verklaard en verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: AWB 12/355
5101

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2013 in de zaak tussen

Booroola C.V., te Winschoten, appellante,

(gemachtigde: ir. S. Boonstra)
en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigden: mr. M.A.G. van Leeuwen en mr. C.E.B. Haazen).

Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder appellantes aanvraag bedrijfstoeslag 2010 op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 afgewezen.
Bij besluit van 22 februari 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante (gedeeltelijk) gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het besluit van 5 juli 2011 herroepen en de (netto) bedrijfstoeslag 2010 vastgesteld op € 5.527,07.
Bij tussenuitspraak van 20 maart 2013 (www.rechtspraak.nl, LJN: BZ7868) heeft het College verweerder opgedragen het bestreden besluit in overeenstemming te brengen met artikel 34, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 73/2009.
Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft verweerder het besluit van 15 april 2013 genomen. Hierbij is appellantes bedrijfstoeslag 2010 verhoogd vastgesteld op € 6.981,75.
Appellante heeft per fax van 6 mei 2013 op het besluit van 15 april 2013 gereageerd.
Het College heeft met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Op 7 juni 2013 heeft het College het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.
Voor de voorgeschiedenis van het geschil verwijst het College naar de tussenuitspraak.
2.
Het College constateert dat gelet op de tekst van het besluit van 15 april 2013 een nieuwe herbeoordeling van de bezwaren van appellante heeft plaatsgevonden en dat naar aanleiding van die nieuwe beoordeling appellantes bedrijfstoeslag 2010 is gewijzigd. Het besluit van 22 februari 2012 zoals dat voorlag in de tussenuitspraak wordt dan ook geacht te zijn ingetrokken. Dat appellante in het kader van haar beroep nog belang heeft bij een vernietiging van dit besluit, is gesteld noch gebleken. Het beroep tegen dit besluit zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.
3.
Appellante heeft aangegeven dat het besluit van 15 april 2013 volledig aan haar bezwaren tegemoetkomt. Dat betekent, gelet op artikel 6:19, eerste lid, Awb, dat haar beroep niet mede tegen dit besluit geacht kan worden te zijn gericht. Het College komt derhalve niet toe aan een beoordeling van dit besluit.
4.
Het College ziet aanleiding te bepalen dat verweerder aan appellante het door haar betaalde griffierecht vergoedt omdat de procedure is ontstaan naar aanleiding van het bestreden besluit, waaraan - zoals in de tussenuitspraak is geoordeeld - wat betreft de volledige afkeuring van gewasperceel 1 een gebrek kleefde, welk gebrek in redelijkheid aan verweerder valt toe te rekenen.
5.
Om dezelfde reden ziet het College aanleiding verweerder te veroordelen in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 944,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 472,-- per punt en een wegingsfactor 1). Appellantes reactie op het besluit van 15 april 2013 merkt het College niet aan als schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus, nu deze reactie zich beperkt tot de opmerking dat dit besluit volledig aan appellantes bezwaren tegemoet komt. Hiervoor worden dan ook geen punten toegekend.

Beslissing

Het College:
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 22 februari 2012 niet-ontvankelijk;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 310,-- aan appellante te vergoeden;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 944,--, te betalen aan appellante.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, in aanwezigheid van mr. M.J. van Veen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2013.
M. Munsterman M.J. van Veen