ECLI:NL:CBB:2013:CA0498
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake heffingen AFM voor doorlopend toezicht
Appellant, een vergunninghouder voor bemiddeling in schadeverzekeringen, werd door de AFM geconfronteerd met heffingen voor doorlopend toezicht over de jaren 2008, 2009 en 2010. De rechtbank Rotterdam verklaarde de beroepen van appellant ongegrond en bevestigde de rechtmatigheid van de heffingen.
In hoger beroep stelde appellant dat de heffingen disproportioneel waren en dat de AFM de hoorplicht had geschonden. Het College oordeelde dat de heffingen terecht waren opgelegd op grond van de Wet op het financieel toezicht en de bijbehorende regelgeving, en dat de tariefindeling niet in strijd was met het evenredigheidsbeginsel.
Echter, het College stelde vast dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de hoorplicht niet was geschonden. Het bezwaar van appellant was niet kennelijk ongegrond, zodat de hoorplicht van artikel 7:2 Awb Pro wel van toepassing was. Het College vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank, verklaarde de beroepen gegrond, vernietigde de besluiten van AFM, maar bepaalde dat de rechtsgevolgen van deze besluiten in stand blijven.
Daarnaast werd appellant het betaalde griffierecht in hoger beroep en beroep vergoed. Hiermee werd een balans gevonden tussen procedurele fouten en materiële rechtmatigheid van de heffingen.
Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd wegens schending van de hoorplicht, de heffingen blijven echter in stand.