ECLI:NL:CBB:2013:CA2374
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Hoger beroep
- M.A. van der Ham
- W.E. Doolaard
- M.M. Smorenburg
- Rechtspraak.nl
Vaststelling boete overschrijding gebruiksnormen Meststoffenwet met toepassing derogatie
In deze bestuursrechtelijke zaak stond centraal of de staatssecretaris terecht bestuurlijke boetes had opgelegd aan A wegens overschrijding van de gebruiksnormen voor meststoffen in 2007. De discussie betrof onder meer of bepaalde percelen landbouwgrond in Zeeland tot het bedrijf van A behoorden en of A aanspraak kon maken op derogatie, waardoor een verhoogde gebruiksnorm van toepassing zou zijn.
De rechtbank had geoordeeld dat de Zeeuwse percelen niet tot het bedrijf behoorden vanwege het ontbreken van feitelijke beschikkingsmacht en dat A niet voor derogatie in aanmerking kwam, waardoor de reguliere gebruiksnorm gold. Tevens wees de rechtbank matiging van de boetes af.
Het College van Beroep oordeelde dat de percelen terecht buiten beschouwing waren gelaten wegens gebrek aan feitelijke beschikkingsmacht. Echter, het College stelde dat A wel voldeed aan de derogatievoorwaarden en dat de boetes daarom moesten worden berekend op basis van de verhoogde gebruiksnorm van 250 kilogram stikstof per hectare. De boetes werden herzien en vastgesteld op € 17.690,--. Verder verwierp het College het verzoek tot matiging, omdat de wetgever reeds rekening had gehouden met het economische voordeel bij het vaststellen van de boetebedragen. Tot slot veroordeelde het College de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten aan A.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de boetes worden vastgesteld op € 17.690,-- met toepassing van de verhoogde gebruiksnorm en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.