Uitspraak
staatssecretaris van Economische Zaken.
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Appellant werd door de staatssecretaris van Economische Zaken beboet voor het overschrijden van de gebruiksnormen voor dierlijke meststoffen en fosfaat in 2009, met een boete van €35.213,00. De rechtbank verlaagde deze boete op basis van een hogere eindvoorraad naar €29.437,50. Appellant stelde in hoger beroep dat de boete nog te hoog was en dat de fosfaatcompensatieregeling (fosfaatschuif) toegepast had moeten worden.
Het College van Beroep overwoog dat de overtreding betrekking had op kalenderjaar 2009 en dat de bestuursrechtelijke boeteregeling van de Vierde tranche Awb van toepassing was. De herberekening van de boete door de staatssecretaris was correct, ook al leidde dit tot een beperkte verlaging. De fosfaatcompensatie kon niet worden toegepast omdat appellant zich niet tijdig had aangemeld en de overschrijding van de fosfaatnorm met 29,5 kg per hectare hoger was dan de toegestane 20 kg.
Verder verwierp het College het betoog van appellant dat de boete disproportioneel was omdat hij geen economisch voordeel had genoten en dat de boete het voortbestaan van zijn bedrijf bedreigde. Deze stellingen waren onvoldoende onderbouwd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de boete van €29.437,50 bevestigd.