Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
Uitspraak van de meervoudige kamer van 28 januari 2014 in de zaak tussen
[bedrijfsnaam], te [vestigingsplaats], appellante
de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Voor de toepassing van de onderhavige verordening gelden de volgende definities:
(…)
c) „landbouwactiviteit”: landbouwproducten produceren, (…) of telen met inbegrip van het oogsten, (...) of de grond in goede landbouw- en milieuconditie als vastgesteld op grond van artikel 6 houden Pro; (…)
h) „landbouwgrond”: om het even welke grond die wordt gebruikt als (…), blijvend grasland (…).
(…)
a) om het even welke landbouwgrond van het bedrijf, (…), die wordt gebruikt voor een landbouwactiviteit of die, indien de grond ook voor niet-landbouwactiviteiten gebruikt, overwegend voor landbouwactiviteiten wordt gebruikt, (…) ".
Voor de toepassing van artikel 34, lid 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 73/2009 wordt landbouwgrond van een bedrijf die ook voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt, aangemerkt als overwegend voor landbouwdoeleinden gebruikte grond indien het uitoefenen van de landbouwactiviteit geen noemenswaardige hinder ondervindt van de intensiteit, de aard, de duur en de planning van de niet-landbouwactiviteiten. (…) "
1 oktober en in verband met de toestand van het gras niet in de daarbuiten gelegen periode. Voorts heeft appellante er ter zitting met klem op gewezen dat zij bij de uitoefening van de landbouwactiviteiten op geen enkele wijze wordt gehinderd door de luchtvaartactiviteiten. Verweerder heeft hiertegenover geen concrete situaties genoemd waaruit blijkt dat appellante in verband met de door verweerder genoemde voorschriften in de pachtovereenkomst en het aantal vliegbewegingen noemenswaardig wordt belemmerd bij de uitoefening van haar landbouwactiviteiten. Dit betekent dat het bepaalde in artikel 9 van Pro Verordening (EG) nr. 1120/2009 niet aan het verlenen van bedrijfstoeslag voor perceel 5 voor het jaar 2010 in de weg staat.