Appellante exploiteert een horecabedrijf waarvoor zij een boete kreeg opgelegd wegens het niet handhaven van het rookverbod. De boete was gebaseerd op een drank- en horecawetvergunning waarin een vloeroppervlak van 72 m2 stond vermeld, waardoor de uitzondering voor kleine horecabedrijven niet van toepassing zou zijn.
Appellante stelde dat het werkelijke vloeroppervlak kleiner was dan vermeld in de vergunning, onderbouwd met een gebruiksvergunning uit 2006 en een nieuwe drank- en horecawetvergunning uit 2012, beide met een vloeroppervlak rond 58 m2. De rechtbank wees het beroep af omdat de boete was gebaseerd op de op dat moment geldende vergunning.
Het College van Beroep overwoog dat de feiten en omstandigheden voldoende aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van het in de drank- en horecawetvergunning vermelde vloeroppervlak. Het College concludeerde dat appellante aannemelijk heeft gemaakt dat het vloeroppervlak feitelijk kleiner was dan 70 m2 en dat de uitzondering op het rookverbod daarom van toepassing is.
Het College vernietigde het bestreden besluit en het boetebesluit en verklaarde het beroep van appellante gegrond. Daarnaast werd het betaalde griffierecht aan appellante vergoed.