ECLI:NL:CBB:2014:427

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
14 november 2014
Publicatiedatum
20 november 2014
Zaaknummer
AWB 12/633
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Meststoffenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging bestuurlijke boete wegens overschrijding gebruiksnormen Meststoffenwet

In deze zaak stond het hoger beroep centraal tegen een bestuurlijke boete opgelegd door de staatssecretaris van Economische Zaken wegens overtreding van artikel 7 van Pro de Meststoffenwet. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven had eerder bij een tussenuitspraak geoordeeld dat de staatssecretaris geen volledige rekening had gehouden met alle percelen waarop appellanten feitelijke beschikkingsmacht hadden in 2007.

De staatssecretaris werd opgedragen het besluit van 14 december 2011 te herstellen. Bij brief van 8 juli 2014 werd een nieuwe berekening overlegd waaruit bleek dat, rekening houdend met de grotere oppervlakte, geen overschrijding van de gebruiksnormen had plaatsgevonden. Appellanten onderschreven deze conclusie volledig.

Het College verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en herroept het primaire boetebesluit van 7 juli 2009. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten van appellanten. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer op 14 november 2014.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het boetebesluit van 14 december 2011 wordt vernietigd en het primaire boetebesluit van 7 juli 2009 wordt herroepen.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 12/633
16005
uitspraak van de meervoudige kamer van 14 november 2014 op het hoger beroep van:

Maatschap [naam 1] en [naam 2] en [naam 3]

(hierna: maatschap [naam 4]),
[naam 1],
[naam 2],
[naam 3],
te [plaats],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 15 mei 2012 in het geding tussen appellanten
en

de staatssecretaris van Economische Zaken (hierna: de staatssecretaris)

gemachtigde van appellanten: mr. W.P.N. Remie
gemachtigde van verweerder: mr. B. Raven

Procesverloop in hoger beroep

Bij tussenuitspraak van 28 mei 2014 (ECLI:NL:CBB:2014:310) heeft het College de
staatssecretaris opgedragen om binnen zes weken na verzending van de uitspraak het besluit
van 14 december 2011 te herstellen, voor wat betreft de aan de bestuurlijke boete ten
grondslag liggende berekening, met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
Bij brief van 8 juli 2014 heeft de staatssecretaris aan het College de uitkomst gestuurd van de
Nieuwe berekening naar aanleiding van de tussenuitspraak.
Bij brief van 15 augustus 2014 hebben appellanten hun zienswijze daarop naar voren
gebracht.
Bij brief van 26 augustus 2014 heeft het College aan partijen meegedeeld dat het College het
onderzoek heeft gesloten.

De beoordeling van het geschil in hoger beroep

1.1
In de tussenuitspraak heeft het College geoordeeld dat de staatsecretaris bij het opleggen
van de bestuurlijke boete wegens overtreding van artikel 7 van Pro de Meststoffenwet (Msw) ten
onrechte geen rekening heeft gehouden met een deel van de percelen waarover appellanten in
2007 de feitelijke beschikkingsmacht hadden. Het College heeft verweerder opgedragen dit
gebrek in het besluit van 14 december 2011 te herstellen.
1.2
Bij brief van 8 juli 2014 heeft de staatssecretaris aan het College medegedeeld dat
uitgaande van een grotere oppervlakte, in lijn met de tussenuitspraak van het
College, uit de berekening volgt dat er geen sprake is van een overschrijding van de
gebruiksnormen in 2007. De bestuurlijke boete komt dan ook te vervallen.
1.3
In hun zienswijze over de brief van 8 juli 2014 hebben appellanten het College bericht
dat zij zich geheel in deze conclusie van de staatssecretaris kunnen vinden.
1.4
Een en ander betekent dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking
komt, met uitzondering van de beslissingen ten aanzien van het griffierecht en de
proceskosten. Het College zal, doende wat de rechtbank zou behoren te
doen, het beroep van appellant gericht tegen het besluit van 14 december 2011 gegrond
verklaren, dit besluit vernietigen en het primaire boetebesluit van 7 juli 2009 herroepen.
1.5
De staatssecretaris wordt veroordeeld in de kosten van appellanten in verband met
beroepsmatig door een derde verleende rechtsbijstand bij de behandeling van het hoger
beroep. Deze kosten worden vastgesteld op € 974,- op basis van 2 punten - te weten hoger
beroepschrift (1), verschijnen ter zitting (1) - tegen een waarde van € 487,- per punt, waarbij
het gewicht van de zaak op 1 (gemiddeld) is bepaald.

Beslissing

Het College:
- vernietigt de aangevallen uitspraak, met uitzondering van de beslissingen ten aanzien van het griffierecht en de proceskosten;
- verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep van appellant tegen het besluit van 14 december 2011 gegrond en vernietigt dit besluit;
- herroept het primaire boetebesluit van 7 juli 2009;
- draagt de staatsecretaris op het door appellanten voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 466,- te vergoeden;
- veroordeelt de staatssecretaris in de door appellanten in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 974,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. Winter, mr. E. Dijt en mr. C.J. Waterbolk, in
aanwezigheid van mr. A.G.J. van Ouwerkerk, griffier. De beslissing is in het openbaar
uitgesproken op 14 november 2014.
w.g. R.R. Winter w.g. A.G.J. van Ouwerkerk