In deze zaak heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven het hoger beroep van de staatssecretaris van Economische Zaken behandeld tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam. De staatssecretaris had aan een transportbedrijf bestuurlijke boetes opgelegd wegens overtreding van de Transportverordening (EG) nr. 1/2005 betreffende de minimale ruimte per dier tijdens vervoer. De boetes waren gebaseerd op een door de staatssecretaris gehanteerde lineaire formule voor de benodigde oppervlakte per dier.
De rechtbank had de boetes vernietigd omdat de lineaire formule niet bij wettelijk voorschrift was vastgelegd en het voor het transportbedrijf niet duidelijk was dat deze norm gold in plaats van de marges die in de Transportverordening waren opgenomen. Dit leidde tot strijd met het lex certa-beginsel, dat vereist dat regels voldoende duidelijk en voorspelbaar zijn.
Het College bevestigt deze beoordeling en oordeelt dat de categorieën in de Transportverordening gebaseerd zijn op gewichtsklassen, waarbij runderen van circa 287 kg behoren tot de categorie 'zware kalveren'. De door de staatssecretaris toegepaste lineaire formule vloeit niet rechtstreeks voort uit de toelichtende bepalingen van de verordening en is niet bij regelgeving vastgesteld. Hierdoor was de transporteur onvoldoende geïnformeerd over de exacte norm.
Het College wijst ook op jurisprudentie van het Hof van Justitie en onderkent dat lidstaten beoordelingsmarge hebben bij de nadere invulling van de normen, maar benadrukt dat deze invulling wel duidelijk moet zijn. De staatssecretaris wordt veroordeeld in de proceskosten van het transportbedrijf en het griffierecht wordt geheven. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.