Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 18 december 2014 in de zaak tussen
2. Omroepmasten B.V.(voorheen NOVEC B.V.), te Vianen (NOVEC),
(gemachtigde: mr. A.Th Meijer), appellante,
de Autoriteit Consument en Markt (ACM), verweerster,
Procesverloop
17 oktober 2011.
Overwegingen
" a) De (betonnen) onderbouwen en torens van Alticom zijn aan te merken als antenne-opstelpunten als bedoeld in artikel 3.11, vierde lid, Tw. Alticom is onderworpen aan artikel 3.11, derde en vierde lid van de Tw. Mitsdien ziet het college geen aanleiding NOVEC niet in haar aanvraag ex artikel 12.2 van de Tw te ontvangen;
b) Er is sprake van een overeenkomst op basis van een bij of krachtens de Tw op Alticom rustende verplichting (artikel 3.11, vierde lid juncto artikel 3.11, derde lid, van de Tw) en partijen zijn verdeeld over de vraag of er sprake is van een redelijke vergoeding als bedoeld in artikel 3.11, derde lid van de Tw. Het college is daarom op grond van artikel 12.2, tweede lid, in samenhang gelezen met artikel 12.2, derde lid, van de Tw, bevoegd om onderhavig geschil te beslechten;
c) De hoogte van het tussen NOVEC en Alticom overeengekomen tarief voor medegebruik van de antenne-opstelpunten van Alticom kan niet worden gekwalificeerd als een op kosten georiënteerd tarief en daarom in dit geval niet als een redelijke vergoeding ingevolge artikel 3.11, derde lid, van de Tw. Daarmee is het overeengekomen tarief – tegen de achtergrond van artikel 12.2 tweede lid, in samenhang gelezen met artikel 12.2, derde lid, van de Tw – in strijd met het bij of krachtens de Tw bepaalde;
d) De redelijke vergoeding voor het medegebruik van de antenne-opstelpunten van Alticom als bedoeld in artikel 3.11, derde lid in samenhang gelezen met het vierde lid van artikel 3.11 van de Tw, wordt door het college per 1 april 2010 vastgesteld op € 1.444 per vierkante meter;
e) De redelijke vergoeding voor het medegebruik van de antenne-opstelpunten van Alticom dient in de hierop volgende contractsperiode eveneens in overeenstemming te zijn met de methodiek zoals uiteengezet in het besluit van het college van 26 april 2010 met kenmerk OPTA/AM/2010/201351."
26 april 2010 is door het College geoordeeld bij uitspraak van 17 oktober 2012 (ECLI:NL:CBB:2012:BY2311). Het College wees, zelf voorziend, de aanvraag van NOVEC alsnog af en bepaalde dat zijn uitspraak in de plaats zou treden van het geschilbesluit. Naar het oordeel van het College had ACM niet in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen dat het door Alticom in rekening gebrachte tarief van € 1383 per m² geen redelijk tarief is in de zin van artikel 3.11 Tw. Het College overwoog voorts: "Voor zover OPTA in het dictum van het geschilbesluit heeft bepaald dat de redelijke vergoeding voor het medegebruik van de antenne-opstelpunten van Alticom na 2009 dient te worden vastgesteld in overeenstemming met de methodiek zoals uiteengezet in het geschilbesluit (..), beschouwt het College dit als een voornemen van OPTA dat niet op rechtsgevolg is gericht."
3. De houder, bedoeld in het eerste lid, (…) stellen het medegebruik ter beschikking tegen een redelijke vergoeding.
4. Aanbieders van elektronische communicatienetwerken die bestaan uit radiozendapparaten die geschikt zijn voor het verspreiden van programma’s, alsmede aanbieders van antenne-opstelpunten welke bestemd zijn om genoemde netwerken te ondersteunen, voldoen aan redelijke verzoeken tot medegebruik van antenne-opstelpunten, antennesystemen of antennes. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing."
2. Onder een geschil als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan een geschil inzake de vraag of, indien de in dat lid bedoelde houders van een vergunning, aanbieders, aanbieders en ondernemingen, onderscheidenlijk ondernemingen een overeenkomst hebben gesloten op basis van een bij of krachtens deze wet op een of meer van hen rustende verplichting, de ter zake daarvan tussen hen bestaande verbintenissen, of de wijze waarop die verbintenissen worden nagekomen strijdig zijn, onderscheidenlijk is met het bij of krachtens deze wet bepaalde.
3. (…)"
3.24, vierde lid, van de Tw is overigens in dit geschil door ACM geen toepassing gegeven.
€ 1435,5 en dat er daarmee een geschil is in de zin van artikel 12.2, tweede lid, van de Tw. ACM acht dit tarief, blijkens haar herstelbesluit van 11 september 2014, redelijk, aangezien het lager is dan een op kosten georiënteerd tarief. ACM had aan die conclusie naar het oordeel van het College de gevolgtrekking moeten verbinden dat het overeengekomen tarief niet in strijd is met het bepaalde in artikel 3.11, derde lid, van de Tw en, gelet op de in artikel 12.2, tweede lid, van de Tw aangelegde toetsingsmaatstaf, het verzoek van NOVEC op die grond moeten afwijzen. Door daarentegen vast te stellen dat het overeengekomen tarief niet is aan te merken als een redelijke vergoeding, zoals ACM in het besluit van 26 april 2010 heeft gedaan, en zelf een redelijk tarief vast te stellen (in de besluiten van 26 april 2010 en 11 september 2014) is zij buiten haar geschilbeslechtende bevoegdheid getreden. Reeds hierom zijn de beroepen van Alticom en NOVEC gegrond. De bestreden besluiten moeten worden vernietigd.
€ 1733 en getracht heeft dat aan NOVEC in rekening te brengen, maakt niet dat dit tarief het overeengekomen tarief is in de zin van artikel 3.11 (oud) van de Tw, waarvan de redelijkheid ter beoordeling staat.
Van de kant van NOVEC zijn geen argumenten naar voren gebracht die het College tot de overtuiging hebben gebracht dat dit overeengekomen tarief niet is aan te merken als een redelijke vergoeding. De door ACM in het geval van Alticom gehanteerde methode voor het berekenen van de risicovrije rente in het kader van de vaststelling van de WACC is naar het oordeel van het College verantwoord. Door deze rente te baseren op het rendement van tienjarige staatsobligaties in een recente periode van drie jaar heeft zij een methode gehanteerd die door het College in vaste jurisprudentie is geaccepteerd (zie onder meer rechtsoverweging 16.7.1 van de uitspraak van 26 mei 2010, ECLI:NL:CBB:2010:BM5564 en rechtsoverweging 7.2.1 van de uitspraak van 10 april 2014, ECLI:NL:CBB:2014:126). Het betoog van NOVEC dat in een ander geschilbesluit door ACM voor een andere methode is gekozen, ontbeert feitelijke grondslag. Ook in dat besluit was ACM voor de bepaling van de risicovrije rente uitgegaan van het rendement van tienjarige staatsobligaties in een recente periode van drie jaar. Dat het in dat geval de jaren 2010, 2011 en 2012 betrof en niet de jaren 2007, 2008 en 2009 laat zich verklaren doordat in dat geschilbesluit het het jaar 2013 en niet zoals hier het jaar 2010 was ten opzichte waarvan door ACM de voorafgaande periode werd bepaald. Voorts heeft NOVEC, in reactie op de desbetreffende beroepsgrond van Alticom, weliswaar betoogd dat zij onvoldoende zicht heeft op de juistheid van de toerekening van de energiekosten, maar het College is niet kunnen blijken dat die omstandigheid, die ook niet als beroepsgrond naar voren is gebracht, van zodanige invloed is op het overeengekomen tarief dat dit niet meer als een redelijke vergoeding zou moeten worden aangemerkt. Het College zal daarom de aanvraag van NOVEC tot geschilbeslechting afwijzen.
Beslissing
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit en het herstelbesluit;
- wijst de geschilaanvraag van NOVEC af en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden besluiten;
- draagt ACM op het betaalde griffierecht van € 302 aan ieder der appellanten te vergoeden;
€ 974 en van NOVEC tot een bedrag van € 1217,50.