Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 6 oktober 2015 op het hoger beroep van:
[naam 1] , te [plaats] , appellante,
tegen de uitspraak van de accountantskamer van 30 augustus 2013, gegeven op een klacht, op 30 januari 2013 door appellante en [naam 2] (de echtgenoot van appellante; hierna: [naam 2] )
ingediend tegen [betrokkene] (betrokkene)
Procesverloop in hoger beroep
Grondslag van het geschil
30 april 2008 is [naam 2] door [naam 7] op staande voet ontslagen, waarna tussen hem enerzijds en [naam 3] , [naam 8] en [naam 4] anderzijds diverse gerechtelijke procedures zijn ontstaan, onder meer ter incassering van de hiervoor onder 1.4 omschreven vordering die [naam 2] meent te hebben op [naam 8] .
Uitspraak van de accountantskamer
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
De eerste grief van appellante richt zich tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdeel a, inhoudende het verwijt dat het betrokkene valt aan te rekenen dat de jaarstukken van [naam 3] en [naam 8] te laat zijn gedeponeerd. Volgens appellante had betrokkene zijn cliënt moeten wijzen op de plicht dat tijdig te doen. Appellante heeft betrokkene herhaaldelijk bericht dat [naam 8] haar wettelijke verplichtingen niet nakwam. Bovendien was betrokkene er destijds van op de hoogte dat appellante inzage in de jaarrekeningen nodig had in verband met een lopende gerechtelijke procedure tussen [naam 2] en [naam 8] , aldus appellante.