Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 13 mei 2016 in de zaak tussen
Tele2 Nederland B.V. (Tele2), te Diemen, appellante
de Autoriteit Consument en Markt (ACM), verweerster
Koninklijke KPN N.V.en
KPN B.V.(KPN), te Den Haag
Procesverloop
Overwegingen
Vervolgens heeft ACM, gezien de doelstelling van gedragsregel 5, in redelijkheid in afwijking van de beleidsregels kunnen bepalen dat de inschrijving van KPN op het niveau van de door KPN aangeboden bundel aan gedragsregel 5 moet worden getoetst.
In dit geschil gaat het echter om een vaststaande contractsperiode. Volgens vaste rechtspraak van het College (CBb 18 september 2014, ECLI:NL:CBB:2014:342) dient de passendheid van de toets aan gedragsregel 5 overeenkomstig artikel 6a.2, derde lid, van de Tw te worden beoordeeld aan de hand van de vraag of de verplichting gebaseerd is op de aard van het op de desbetreffende markt geconstateerde probleem en in het licht van de doelstellingen van artikel 1.3, eerste lid, van de Tw proportioneel en gerechtvaardigd is. Naar het oordeel van het College heeft ACM in redelijkheid kunnen uitgaan van een terugverdientijd die de looptijd van de overeenkomst beslaat, gezien het doel van gedragsregel 5 (repliceerbaar aanbod) en de vaststaande contractsperiode die niet (zonder meer) verlengd kan worden. De keuze van ACM voor een terugverdientijd van 42 maanden is in verband hiermee dan ook aanvaardbaar. Hetgeen Tele2 heeft aangevoerd ten aanzien van de migratie van ISDN naar VOIP en de daarmee samenhangende feitelijke terugverdientijden slaagt in verband met het uitgangspunt van repliceerbaarheid niet. De splitsing in twee periodes acht het College, gezien de karakteristieken van beide periodes en de niet bestreden stelling dat de afnamereductie door migratie van ISDN naar IP in de toets aan gedragsregel 5 is meegenomen, evenmin onredelijk.