ECLI:NL:CBB:2016:232
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- R.R. Winter
- J. Schukking
- H.L. van der Beek
- Rechtspraak.nl
Beoordeling randvoorwaardenkorting en proceskostenvergoeding in GLB-inkomenssteun 2010
Appellante, een veefok- en kalvermesterij, kreeg een korting van 3% op de bedrijfstoeslag 2010 opgelegd wegens overtreding van de Meststoffenwet (Msw). Tevens werd een bedrag van €347,29 teruggevorderd. Appellante voerde aan dat zij de gebruiksnormen niet had overschreden en dat de korting onterecht was. Het College overwoog dat de overschrijding van stikstof- en fosfaatnormen onbetwist was vastgesteld door de rechtbank en dat de korting terecht was opgelegd.
Verder stelde appellante dat de boete onherroepelijk moest zijn voordat een korting kon worden toegepast, wat het College verwierp omdat de beroepsprocedure geen schorsende werking had. Appellante voerde ook aan dat het controleverslag niet voldeed en dat de korting disproportioneel was, maar dit werd afgewezen op grond van de toepasselijke EU-verordeningen en het ontbreken van concrete aanwijzingen voor neerwaartse bijstelling.
Het beroep op verjaring faalde omdat de terugvordering binnen vier jaar plaatsvond. Het bezwaar tegen de terugvordering werd terecht als kennelijk ongegrond beschouwd, waardoor appellante niet hoefde te worden gehoord. Het College stelde vast dat de bezwaar- en beroepsfase samen bijna drie maanden te lang duurden, wat een vergoeding van €500 opleverde. Daarnaast werd de Staat veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: Beroepen ongegrond verklaard; vergoeding van €500 voor overschrijding redelijke termijn en proceskosten toegekend.