Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 11 maart 2016 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [plaats] , appellante
de minister van Economische Zaken, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
(€ 6.072.466,98) in rekening gebracht. In totaal heeft verweerder bij appellante ter zake
€ 28.721.880,94 in rekening gebracht en teruggevorderd. Dit besluit heeft zij, kortweg, doen steunen op de overweging dat uit gezamenlijk onderzoek van de Belgische autoriteiten en het Europese anti-fraude bureau OLAF (Office européen de lutte antifraude) was gebleken dat onder meer appellante over de periode van 1 januari 1999 tot en met 15 oktober 2003 op onrechtmatige wijze informatie heeft vergaard ten behoeve van het verkrijgen van uitvoerrestituties.
18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (hierna: Verordening 2988/95) van toepassing zijn, maar, zoals verder door verweerder ter zitting bij pleidooi uiteengezet, het bepaalde in artikel 3:309 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Verweerder heeft niet langer bestreden dat, indien appellantes beroep op verjaring, naar het oordeel van het College zou moeten worden getoetst aan het bepaalde in Verordening 2988/95, dit beroep, mede gelet op voormelde jurisprudentie, slaagt.
nr. 2570/84, (EEG) nr. 2158/87 en (EEG) nr. 3665/87 of naar bepaalde artikelen van die verordeningen wordt verwezen, moet deze verwijzing worden beschouwd als een verwijzing naar deze verordening of de overeenkomstige artikelen van deze verordening.(…)"
Publicatieblad van de Europese Unie.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het primaire besluit en verklaart het bezwaar gegrond;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 318,- aan appellante te vergoeden;