Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 augustus 2016 in de zaak tussen
[naam 1] en [naam 2] , te [plaats] , appellanten
de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder
Procesverloop
.Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Het College heeft het onderzoek in deze zaak ter zitting gesloten.
Overwegingen
€ 176,25.
14 oktober 2014. De inspecteur heeft in het rapport onder andere het volgende vermeld:
29 oktober 2009 houdende bepalingen voor de uitvoering van de bedrijfstoeslagregeling waarin is voorzien bij titel III van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (Verordening 1120/2009) worden de begrippen “bouwland”, “blijvende teelten”, “blijvend grasland” en “grasland” gedefinieerd.
28 juni 2016 hebben appellanten verklaard geen belang meer te hebben bij de beoordeling van hun beroep tegen de bestreden besluiten I en II, zodat het beroep van appellanten gericht tegen deze besluiten niet-ontvankelijk is. Aan hetgeen appellanten in de brief van 28 juli 2016 ten aanzien van de zorgvuldigheid van die besluiten hebben opgemerkt, komt het College dus niet meer toe.
Beslissing
- verklaart het beroep gericht tegen de bestreden besluiten I en II niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit III ongegrond;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 328,- aan appellanten te vergoeden;
€ 496,-.