Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
[naam 1] B.V.te [plaats 1] ( [naam 1] )
[naam 2] te [plaats 2] ( [locatie] ) ( [naam 2] ) en
(gemachtigde: mr. M.J.G. Pennings),
De Nederlandsche Bank N.V., te Amsterdam (DNB)
(gemachtigde: mr. C.M. Bitter)
appellanten
en
DNB.
Procesverloop in hoger beroep
Grondslag van het geschil
Uitspraak van de rechtbank
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
Overtreding
DNB stelt zich op het standpunt dat appellanten de algemene stelling dat [naam 1] het bankverbod niet heeft overtreden niet nader hebben onderbouwd. Volgens DNB verdient de proceshouding van [naam 4] in zoverre in rechte geen bescherming.
Dit beroep treft doel. De rechtbank heeft terecht met DNB vastgesteld dat sprake is van een ernstige overtreding die aanzienlijk is in omvang en verwijtbaar. Een mogelijk ontbreken van apert kwade wil bij [naam 2] en [naam 3] is voor de vraag of de overtreding verwijtbaar is een niet relevante omstandigheid. Het is evenmin een omstandigheid die kan worden betrokken in de vraag of sprake is van een evenredige boete. De tekst noch de toelichting bij het boetestelsel van de Wft biedt daarvoor aanknopingspunten. DNB heeft de beëindiging van de overtreding op afdoende wijze in haar afweging betrokken. Daarbij heeft DNB terecht betekenis gehecht aan het feit dat de overtreding eerst werd beëindigd ruim acht maanden nadat DNB appellanten bij brief van 13 juni 2012 erop had gewezen dat [naam 1] mogelijk artikel 2:11 van Pro de Wft overtrad en nadat DNB had besloten een openbare waarschuwing uit te vaardigen en een stille curator aan te stellen. Aan het feit dat [naam 2] en [naam 3] uitvoering hebben gegeven aan het door de Raad van Commissarissen van [naam 6] in november 2012 genomen initiatief tot herstructurering teneinde de overtreding te beëindigen heeft DNB terecht geen zelfstandige betekenis toegekend in het kader van de evenredigheidstoetsing. Evenmin geeft de gestelde diffamerende werking van de publicatie van het boetebesluit aanleiding om de boete verder te matigen.
De rechtbank kon derhalve niet op de door haar aangehaalde gronden overgaan tot een verdere matiging van de aan [naam 2] en [naam 3] opgelegde boetes.
Beslissing
- verklaart het hoger beroep ongegrond;
- verklaart het incidenteel hoger beroep gegrond;