Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 26 april 2016 op de hoger beroepen van:
(gemachtigden: mr. C.M. Bitter en mr. M. Dijkstra),
O-I Manufacturing Netherlands B.V., te Schiedam (O-IM)
(gemachtigde: prof. dr. E. Lutjens)
het pensioenfonds
en
DNB
Procesverloop in hoger beroep
Grondslag van het geschil
Uitspraak van de rechtbank
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
Ten tijde van het instellen van het incidenteel hoger beroep was de vordering van het pensioenfonds op DNB, die zijn grondslag vindt in de aangevallen uitspraak, gecedeerd aan O-IM. DNB enerzijds en het pensioenfonds en O-IM (verder tezamen: het pensioenfonds) anderzijds hebben meerdere hogerberoepsgronden ingediend. Het College ziet aanleiding om ten eerste in te gaan op het betoog van DNB dat het pensioenfonds niet aannemelijk heeft gemaakt dat het schade heeft geleden ten gevolge van het onrechtmatige aanwijzingsbesluit van DNB.
Het College onderschrijft het oordeel van de rechtbank over de interne en externe kosten en maakt de overwegingen van de rechtbank tot de zijne. Het pensioenfonds heeft gesteld het oordeel van de rechtbank niet te onderschrijven, maar het heeft niet onderbouwd waarom het oordeel van de rechtbank op bedoelde punten onjuist zou zijn. Zo is niet toegelicht waarom het hier om een uitzonderlijk geval zou gaan waarin het volgens haar mogelijk zou zijn om - buiten het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Awb om - tot vergoeding van gemaakte kosten in verband met het bijwonen van zittingen (ten aanzien van het herroepen aanwijzingsbesluit) over te gaan.