Verzoeker, houder van een taxivergunning voor de Amsterdamse opstapmarkt, werd geconfronteerd met een schorsing van zijn vergunning voor de duur van één maand vanwege gevaarlijk rijgedrag op 3 oktober 2015. Deze schorsing werd door verweerders opgelegd op grond van de Taxiverordening Amsterdam 2012 en het Besluit Nadere regels eisen chauffeurs.
Verzoeker heeft tegen deze schorsing bezwaar gemaakt, dat ongegrond werd verklaard, waarna hij beroep instelde en tevens een voorlopige voorziening verzocht. Tijdens de zitting op 9 maart 2017 werden getuigen gehoord en werd het verzoek behandeld. De voorzieningenrechter verwees naar de eerdere uitspraak van 9 juni 2016, waarin reeds was vastgesteld dat verzoeker met te hoge snelheid en gevaarlijk rijgedrag had gereden.
De verklaringen van de getuigen konden de eerdere bevindingen niet weerleggen, mede omdat hun verklaringen onderling niet consistent waren. De voorzieningenrechter achtte de door de verbalisant op ambtsbelofte opgemaakte rapportage en verklaring betrouwbaar en in lijn met vaste rechtspraak.
De belangenafweging van verweerders werd als toereikend beoordeeld en het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen. Het beroep werd ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.