Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 mei 2017 in de zaak tussen
de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
27 februari 2014, nr. C-396/12 heeft het Hof geoordeeld dat ingeval inbreuk op de vereiste randvoorwaarden is gemaakt door een derde die werkzaamheden in opdracht van een steunontvanger uitvoert, deze begunstigde aansprakelijk kan worden gesteld voor die inbreuk indien hij opzettelijk of nalatig heeft gehandeld door de keuze van de derde, het op hem uitgeoefende toezicht en de hem gegeven instructies, ongeacht het opzettelijke of nalatige karakter van de gedraging van deze derde. In dat verband mag van een landbouwer in het algemeen worden verwacht dat hij de instructie geeft dat de van toepassing zijnde randvoorwaarden niet worden overtreden en dat hij daarop ook toezicht houdt. Gezien de opmerking van de loonwerker dat hij niet wist dat hij de mest zelf diende onder te werken en in de veronderstelling verkeerde dat de mest het eerste uur nog niet ondergewerkt diende te worden, is het College van oordeel dat appellante in het geven van instructies is tekortgeschoten. Appellante had er rekening mee moeten houden dat een Belgische intermediair en/of Belgische loonwerker niet (volledig) op de hoogte zou zijn van de Nederlandse regelgeving en had haar instructies en toezicht daarop moeten aanpassen. Evenmin is gebleken dat appellante afdoende toezicht heeft gehouden of heeft laten houden op de verrichte werkzaamheden. Door aldus te handelen heeft appellante bewust het risico aanvaard dat de mest niet emissiearm zou worden aangewend en kan haar een opzettelijke niet-naleving van randvoorwaarden worden aangerekend.