ECLI:NL:CBB:2017:303
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bedrijfstoeslag 2011 en 2012 en proceskostenveroordeling wegens overschrijding redelijke termijn
Appellante heeft beroep ingesteld tegen besluiten van de minister van Economische Zaken waarin de bedrijfstoeslag voor de jaren 2011 en 2012 werd gewijzigd vastgesteld. De minister had de subsidiabele oppervlakte van perceel 1 verminderd omdat op een deel pitrus groeide, wat niet als landbouwgrond kwalificeert. Het College oordeelt dat de minister terecht het verschil in oppervlakte heeft vastgesteld op basis van luchtfoto's en een NVWA-inspectierapport.
De Regeling GLB-inkomenssteun 2006 bleef van toepassing op de besluiten, ondanks dat deze per 1 januari 2015 was vervallen, vanwege overgangsbepalingen. Appellante voerde aan dat het afgekeurde deel begroeid was met beemdgras, een landbouwgewas, maar het College achtte het bewijs onvoldoende en bevestigde dat het overwegend pitrus betrof.
Het College constateerde dat de redelijke termijn voor de behandeling van het beroep met ongeveer zes maanden was overschreden zonder gegronde redenen. Daarom veroordeelde het College de minister tot een schadevergoeding van € 500 aan appellante. Tevens werden proceskosten van € 184 en het griffierecht van € 331 aan appellante toegewezen. De beroepen werden verder ongegrond verklaard.
Uitkomst: Beroepen ongegrond verklaard; minister veroordeeld tot vergoeding van € 500 wegens overschrijding redelijke termijn en proceskosten.