Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
[naam 2]( [naam 2] ), beide te [plaats] , appellanten
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven behandelde hoger beroepen tegen boetes opgelegd door de AFM aan een onderneming en haar feitelijk leidinggever wegens overtreding van artikel 2:60, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht (Wft).
De boetes waren oorspronkelijk vastgesteld op respectievelijk € 300.000 en € 200.000, maar het College matigde deze bedragen naar € 150.000 voor de onderneming en € 100.000 voor de feitelijk leidinggever. Dit vanwege een juiste toepassing van het interne boetebeleid van de AFM, waarbij rekening werd gehouden met de financiële draagkracht van de overtreder. Het College oordeelde dat de AFM onvoldoende had gematigd gezien het eigen vermogen van de betrokkenen.
Daarnaast veroordeelde het College de AFM tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan beide appellanten. De uitspraak vernietigde de eerdere uitspraak van de rechtbank Rotterdam voor zover die betrekking had op de hoogte van de boetes en herzag de boetebedragen conform het oordeel van het College.
Uitkomst: De boetes werden gematigd tot € 150.000 voor de onderneming en € 100.000 voor de feitelijk leidinggever, met veroordeling van AFM in proceskosten en griffierechten.