Uitspraak
1.[naam 1] B.V., te [plaats 1] ,
4.[naam 5] B.V., te [plaats 2] ,
de Autoriteit Consument en Markt(ACM)
“cover pricing”aangeduid. Op basis van hetgeen de ondernemingen hebben verklaard, stelt ACM dat prijslenen plaatsvindt op het moment dat een onderneming niet wenst in te schrijven op een aanbesteding, maar wel in beeld wenst te blijven bij de opdrachtgever voor toekomstige opdrachten. Deze onderneming krijgt (heimelijk) van een concurrerende onderneming te horen voor welk bedrag deze heeft ingeschreven voor een bepaalde aanbesteding. Zij leent dan de prijs van haar concurrent met als doel een inschrijfprijs bij de opdrachtgever in te dienen zonder dat daarmee de aanbesteding wordt gewonnen. Daarbij is het volgens de ondernemingen van belang dat de uitlenende onderneming de opdracht serieus wil maken en een scherpe prijs bij de opdrachtgever indient. De lenende onderneming weet op haar beurt dat zij in beginsel hoger bij de uitslag van de aanbesteding zal eindigen en de opdracht niet zal winnen. Van de lenende onderneming wordt verwacht dat zij boven de geleende prijs inschrijft. Volgens ACM hebben de gedragingen van [naam 5] en [naam 14] , die zowel kenmerken vertonen van een overeenkomst als van een onderling afgestemde feitelijke gedraging, de strekking de mededinging te beperken.
“cover pricing”. De stelling van [naam 5] dat niet bij elk van de projecten in de zaak met nummer 7249 sprake is geweest van aanbestedingen, wordt niet door de rechtbank gevolgd. De rechtbank stelt vast dat in ieder van die projecten sprake is geweest van opdrachtgevers die een beperkt aantal gegadigden hadden geselecteerd om een aanbieding te doen en dat ACM de gedragingen van [naam 5] in die context heeft beoordeeld. ACM heeft daarbij als ‘aanbesteding’ aangemerkt de, al dan niet gelijktijdige, uitnodiging van een opdrachtgever van twee of meer ondernemingen om een offerte of prijs in te dienen voor een opdracht tot uitvoering van een werk. Of de verschillende, door ACM aanbestedingsprocedures genoemde, procedures volgens welke definitie dan ook als aanbestedingsprocedures moeten worden gekwalificeerd, is dan ook in dit geval niet van wezenlijk belang. Waar het om gaat is of de hiervoor vermelde onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de gegeven context naar hun aard schadelijk waren voor de mededinging en daarom de strekking hadden de mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan te verhinderen, beperken of vervalsen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Mw, zoals ACM stelt.
“cover pricing”of ‘prijs lenen’ wordt genoemd, naar zijn aard schadelijk was voor het concurrentieproces bij de mededinging en daarom de strekking had de mededinging te beperken als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Mw. Het feit dat [naam 5] met dit gedrag volgens haar een legitieme doelstelling nastreefde, te weten het in beeld blijven bij de opdrachtgever voor toekomstige aanbestedingen zonder het risico te lopen dat dit project aan haar zou worden gegund, doet geen afbreuk aan het mededingingsbeperkende karakter ervan. Het betoog van [naam 5] dat geen sprake zou zijn van verstoring van de mededinging, omdat degene die inzicht gaf in de prijs ( [naam 4] ) een evident niet-competitieve prijs aan haar had doorgegeven en waardoor er een groot prijsverschil was tussen de aanbiedingen van [naam 4] en [naam 5] , slaagt evenmin. [naam 5] heeft een prijs van [naam 4] geleend en beide ondernemingen hebben niet zelfstandig hun inschrijfgedrag bepaald. Daarmee hebben zij het concurrentieproces bij deze aanbesteding verstoord. Het prijsverschil tussen beide inschrijvingen maakt het mededingingsbeperkende karakter dan ook niet ongedaan.
“cover pricing”een mededingingsbeperkende strekking had en daarom op grond van artikel 6, eerste lid, van de Mw was verboden. De omstandigheid dat bij een project als [naam 17] op meer aspecten dan alleen de prijs werd geselecteerd neemt het mededingingsbeperkende karakter van de gedragingen niet weg.
“bid-rigging”. In het geval van
“bid-rigging”vindt er – anders dan bij
“cover pricing”het geval is – in het geheel geen concurrentie tussen de aanbiedende partijen meer plaats. De uitkomst van de aanbesteding wordt direct door de bij de
“bid-rig”betrokken ondernemingen bepaald. Naar het oordeel van de rechtbank heeft ACM met het hanteren van de ernstfactor 1,75 onvoldoende het verschil in ernst tussen
“bid-rigging”en
“cover pricing”tot uitdrukking gebracht. De rechtbank acht een ernstfactor aan de ondergrens van de bandbreedte, te weten 1,5, in de hier aan de orde zijnde gevallen wel passend en geboden. Hieruit volgt dat de beroepen van [naam 4] en [naam 5] ten aanzien van het project [naam 19] , alsmede het beroep van [naam 5] ten aanzien van de projecten [naam 15] en [naam 16] , waarbij is uitgegaan van een ernstfactor van 1,75, gegrond zijn.
Inleiding
Schending van de functiescheiding van artikel 54a (oud) van de Mw
De mededingingsrechtelijke kwalificatie van de gedragingen
“cover pricing”(hierna: prijslenen) en
“bid rigging”. Anders dan bij
“bid rigging”nemen bij prijslenen niet alle inschrijvers op een aanbesteding aan de gedraging deel. Prijslenen is een gedraging waarbij slechts twee inschrijvers betrokken zijn en leidt derhalve niet tot een verstoring van het algehele concurrentieproces. Daardoor is de waarschijnlijkheid van negatieve effecten bij prijslenen niet hetzelfde als bij
“bid rigging”. [naam 4] wijst erop dat ACM zelfs expliciet aangeeft dat de uitkomst van de aanbesteding doorgaans niet door prijslenen wordt bepaald. Hierdoor kan dan ook niet worden gesteld dat in geval van prijslenen negatieve effecten zo waarschijnlijk zijn dat het overbodig is die negatieve effecten te bewijzen. De mogelijke misleiding van een opdrachtgever, die door ACM wordt genoemd, heeft op zichzelf evenmin duidelijke gevolgen voor de concurrentie in de markt. Volgens [naam 4] en [naam 5] heeft prijslenen daarnaast een legitiem doel, namelijk in beeld blijven bij de opdrachtgever, en kan het ook om die reden niet als een strekkingsbeperking worden aangemerkt.
“bid rig”, omdat anders dan bij
“bid rigging”een direct effect op de prijs die de opdrachtgever betaalt vaak niet kan worden vastgesteld. Ondanks dit verschil is de CAT echter duidelijk over het schadelijke karakter van prijslenen.
De toepassing van de bagatelbepaling
De ernstfactor
“bid rigging”waarbij het normale concurrentieproces bij aanbestedingen ernstig wordt verstoord. Hierdoor is volgens ACM onvermijdelijk dat dit proces schade is aangedaan. Een ernstfactor van 1,5 binnen de voor zeer zware overtredingen geldende bandbreedte van 1,5 tot 3 doet volgens ACM voldoende recht aan het verschil in ernst tussen prijslenen en klassieke vormen van
“bid rigging”waarbij de concurrentie volledig is uitgeschakeld. Hoewel de beoogde gevolgen van prijslenen minder ingrijpend of direct zijn, neemt dit niet weg dat die schadelijke gevolgen er wel degelijk zijn. Een vergelijking met de zaak Kier Group, waarbij de boetes met 90% werden verlaagd, gaat volgens ACM niet op. Afgezien van het feit dat in het Verenigd Koninkrijk een geheel andere boetesystematiek van toepassing is voor dergelijke overtredingen, blijkt uit de uitspraak in de zaak Kier Group dat de aard van de overtreding slechts één van de redenen was voor de aanzienlijke boeteverlaging.
“bid rigging”. Anders dan het geval is bij meeromvattende aanbestedingskartels, waar bijvoorbeeld sprake is van een toerbeurtregeling, zal de uitkomst van de aanbesteding immers doorgaans niet worden bepaald door de bij de afstemming in het kader van prijslening betrokken ondernemingen. Ook weegt bij de beoordeling mee dat het prijslenen in de onderhavige zaken op een incidentele basis plaatsvond, waardoor de meer structurele concurrentieverstorende gevolgen van prijslenen zich in een mindere mate zullen hebben kunnen voordoen.
Conclusie
Proceskosten en griffierecht
- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank daarbij de hoogte van de aan [naam 4] en [naam 5] op te leggen boetes heeft vastgesteld;
- bepaalt de hoogte van de in zaak 16/3 aan [naam 4] op te leggen boete op € 39.000,--;
- bepaalt de hoogte van de in zaak 16/4 aan [naam 5] op te leggen boete op € 9.000,;
- bepaalt de hoogte van de in zaak 16/5 aan [naam 5] op te leggen boete op € 32.300,--;
- draagt ACM op de betaalde griffierechten te vergoeden, ten bedrage van € 503,-- voor [naam 4] en € 1.006,-- voor [naam 5] ;
- veroordeelt ACM in de proceskosten van [naam 4] tot een bedrag van € 990,-- en van [naam 5] tot een bedrag van in totaal € 1.485,--.