ECLI:NL:CBB:2017:369

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
21 november 2017
Publicatiedatum
22 november 2017
Zaaknummer
16/1155
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Verordening 1307/2013Art. 50 Verordening 1307/2013Art. 49 Verordening 639/2014Art. 5 Beleidsregel Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLBArt. 1676 Boek 7A BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing toewijzing betalingsrechten jonge landbouwers wegens ontbreken blokkerende zeggenschap

De maatschap, bestaande uit vader, moeder, zoon en dochter, verzocht om toewijzing van betalingsrechten uit de nationale reserve voor jonge landbouwers en een extra betaling voor jonge landbouwers over 2015. Verweerder wees deze aanvragen af omdat zoon en dochter geen daadwerkelijke en langdurige blokkerende zeggenschap over de maatschap konden uitoefenen.

De kern van het geschil betrof de vraag of zoon en dochter als jonge landbouwers konden worden aangemerkt, waarvoor zij ten minste blokkerende zeggenschap over het bedrijf moesten hebben volgens artikel 49 van Pro Verordening 639/2014 en de Beleidsregel Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB. De maatschap stelde dat zij deze zeggenschap hadden op grond van een maatschapsovereenkomst van januari 2016 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2014.

Het College oordeelde dat ten tijde van de aanvraag in 2015 de overeenkomst van september 2014 gold, waarin geen blokkerende zeggenschap was geregeld. De latere overeenkomst van januari 2016, hoewel met terugwerkende kracht, kon niet leiden tot het oordeel dat zoon en dochter in 2015 blokkerende zeggenschap hadden. De inschrijving in het handelsregister bevestigde dit. Verweerder had de Beleidsregels correct toegepast en de afwijzing was terecht.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de toewijzing van betalingsrechten en extra betaling jonge landbouwers wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/1155
5111

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 november 2017 in de zaak tussen

[naam 1] , [naam 2] en [maatschap], te [plaats] , appellanten
(gemachtigde: mr. W.P.N. Remie),
en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. M.A.G. van Leeuwen).

Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 2016 (het primaire besluit 1) heeft verweerder aan de [maatschap] (de maatschap) 55,67 betalingsrechten voor 2015 toegewezen op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling).
Bij besluit van 18 april 2016 (het primaire besluit 2) heeft verweerder de aanvraag van de maatschap om toewijzing van betalingsrechten uit de Nationale reserve voor jonge landbouwers op grond van de Uitvoeringsregeling afgewezen.
Bij besluit van 25 juni 2016 (het primaire besluit 3) heeft verweerder de aanvraag van de maatschap om extra betaling jonge landbouwers voor 2015 op grond van de Uitvoeringsregeling afgewezen.
Bij besluit van 24 oktober 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren tegen de drie primaire besluiten ongegrond verklaard.
Appellanten hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2017. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Ook zijn verschenen E [naam 3] en [naam 4] , maten van de maatschap.

Overwegingen

1. De maatschap exploiteert een landbouwbedrijf en bestaat uit vier maten, namelijk vader, moeder, zoon en dochter. Het beroepschrift is ingediend door de maatschap, plus de zoon en dochter. Het geschil draait om de vraag of de maatschap – als gevolg van de toetreding van de zoon en dochter – in aanmerking komt voor toewijzing van betalingsrechten uit de nationale reserve en voor extra betaling jonge landbouwers omdat zij kunnen worden aangemerkt als jonge landbouwer. Appellanten hebben betoogd dat zoon en dochter in dit geval blokkerende zeggenschap hebben en hebben daartoe gewezen op de maatschapsovereenkomst. Verweerder heeft op basis van de overgelegde stukken echter geoordeeld dat de jonge landbouwers geen daadwerkelijke en langdurige zeggenschap over de maatschap hebben.
2. De toewijzing van betalingsrechten aan jonge landbouwers is gebaseerd op artikel 30, vierde lid, van Verordening (EU) Nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1307/2013). Dit lid bepaalt – kort gezegd – dat de lidstaten betalingsrechten toewijzen uit hun nationale reserves. De lidstaten gebruiken hun nationale reserves om bij voorrang betalingsrechten toe te wijzen aan jonge landbouwers, aldus het zesde lid van dat artikel. De uitbetaling aan jonge landbouwers is gebaseerd op artikel 50, eerste lid, in samenhang gelezen met het zesde lid, van Verordening 1307/2013.
3. Onder jonge landbouwers wordt in artikel 50, tweede lid, van Verordening 1307/2013, voor zover hier van belang, verstaan natuurlijke personen die, ten tijde hier van belang, voor het eerst als bedrijfshoofd een landbouwbedrijf oprichten of die al zo'n bedrijf opgericht hebben in de periode van vijf jaar voorafgaande aan de eerste indiening van een aanvraag in het kader van de basisbetalingsregeling. Deze definitie geldt ook voor de toewijzing van betalingsrechten, op grond van artikel 30, elfde lid, van Verordening 1307/2013. De toegang van een groep natuurlijke personen tot de betaling voor jonge landbouwers is geregeld in de artikelen 50 en 49 van de Gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening 1307/2013 (Verordening 639/2014). Een van de eisen om als jonge landbouwer te kunnen worden aangemerkt, is – kort gezegd – dat deze daadwerkelijk, langdurige zeggenschap over het bedrijf moet kunnen uitoefenen in het eerste jaar van de door het bedrijf ingediende aanvraag voor de betaling in het kader van de regeling voor jonge landbouwers (artikel 49, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening 639/2014).
4. De Uitvoeringsregeling strekt tot uitvoering van Verordening 1307/2013 en de daarop gebaseerde Verordening 639/2014 (zie artikel 1.2 van de Uitvoeringsregeling). Onder jonge landbouwers moet in de Uitvoeringsregeling hetzelfde worden verstaan als aangegeven in de hiervoor weergegeven bepalingen van Verordening 1307/2013 en Verordening 639/2014. In artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Beleidsregel Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (de Beleidsregel) is bepaald dat van daadwerkelijke langdurige zeggenschap als bedoeld in artikel 49, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening 639/2014 sprake is indien de jonge landbouwer ten minste een blokkerende zeggenschap heeft ter zake van ondernemingsbeslissingen met een financieel belang van meer dan € 25.000,-.
5. Zoals het College in de uitspraak van 25 oktober 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:340) heeft overwogen, vormt artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Beleidsregel een precisering van artikel 49, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening 639/2014 en treedt deze niet buiten de grenzen van laatstgenoemde bepaling. Meer in het bijzonder heeft het College in die uitspraak overwogen dat het geen aanleiding ziet te twijfelen aan de juistheid van de uitleg van artikel 49, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening 639/2014, inhoudende dat voor het uitoefenen van daadwerkelijke, langdurige zeggenschap onvoldoende is dat de jonge landbouwer een niet-blokkerende stem heeft in de besluitvorming, maar dat niet kan worden vereist dat deze moet kunnen bewerkstellingen dat een bepaald besluit genomen wordt. Het College heeft in die uitspraak vervolgens overwogen dat met die uitleg in lijn is het in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Beleidsregel neergelegde vereiste dat de jonge landbouwer ten minste een blokkerende zeggenschap heeft, omdat daarmee wordt bedoeld dat de jonge landbouwer een besluit op enig moment moet kunnen tegenhouden.
6. Ten tijde van de aanvraag was in het handelsregister geregistreerd dat zoon en dochter sinds 1 januari 2014 waren toegetreden tot de maatschap. Volgens de inschrijving waren alle maten onbeperkt bevoegd. Dit betekent, voor zover hier van belang, dat volgens de inschrijving in het handelsregister vader en moeder ondernemingsbeslissingen konden nemen, zonder dat zoon en dochter dit konden tegenhouden. Uit de inschrijving in het handelsregister blijkt dus niet dat zoon en dochter blokkerende zeggenschap hebben.
7. In de bezwaarfase heeft de maatschap een overeenkomst van 25 september 2014 overgelegd, waarin is vermeld dat de maatschap wordt geacht te zijn aangegaan op 1 januari 2014. In de overeenkomst is geen bepaling opgenomen over de bevoegdheden van de maten. Dat betekent dat onder de overeenkomst van 25 september 2014 wordt teruggevallen op de regeling van artikel 1676 van Pro Boek 7A van het Burgerlijk Wetboek. Die regeling komt erop neer dat iedere maat onbeperkt bevoegd is; van een blokkerende zeggenschap voor zoon en dochter is onder de overeenkomst van 25 september 2014 dus evenmin sprake.
8.1
In de bezwaarfase heeft de maatschap ook een recentere overeenkomst overgelegd, gedateerd januari 2016. Volgens deze overeenkomst wordt de maatschap geacht te zijn aangegaan op eveneens 1 januari 2014 en vervangt deze de overeenkomst van 25 september 2014. De overeenkomst van januari 2016 voorziet wel in blokkerende zeggenschap van zoon en dochter.
8.2
Vastgesteld moet echter worden dat ten tijde van de aanvraag de overeenkomst van 25 september 2014 gold. Zoals ter zitting is gebleken, dateert de recentere overeenkomst uit januari 2016 omdat de maten pas toen overeenstemming hadden bereikt over de inhoud ervan. Dat de bevoegdheid van zoon en dochter geen discussiepunt was, zoals appellanten hebben gesteld, is niet relevant; feit blijft immers dat pas in januari 2016 overeenstemming over de nieuwe overeenkomst was bereikt. Het betoog van appellanten dat de overeenkomst van januari 2016 slechts een uitwerking zou vormen van de overeenkomst van 25 september 2014, miskent het wezenlijke verschil tussen de twee overeenkomsten wat betreft de bevoegdheid van de maten. Verweerder heeft dan ook terecht geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat zoon en dochter in de periode voorafgaand aan de indiening van de aanvraag – in weerwil van de inschrijving in het handelsregister en de overeenkomst van 25 september 2014 – blokkerende zeggenschap hadden. Dat de overeenkomst van januari 2016 – zo begrijpt het College – tot 1 januari 2014 terugwerkt, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat uit artikel 49 van Pro Verordening 639/2014 volgt dat de jonge landbouwer daadwerkelijk, langdurige zeggenschap over het bedrijf moet kunnen uitoefenen in het eerste jaar van de door het bedrijf ingediende aanvraag (2015) en dat de terugwerkende kracht niet met zich brengt dat zoon en dochter in 2015 niettegenstaande de toen geldende overeenkomst van 25 september 2014 wel blokkerende zeggenschap hadden. Het betoog van appellanten dat de eis van blokkerende zeggenschap niet aan hen kan worden tegengeworpen, nu de Beleidsregels waarin die eis is neergelegd, dateren van na de aanvraag, ziet er aan voorbij dat ten tijde van het nemen van de primaire besluiten de Beleidsregels waren vastgesteld. Dat verweerder op dat moment de Beleidsregels heeft toegepast, is dan ook niet ontoelaatbaar. Bespreking van het zogeheten coulancebeleid van verweerder kan hier achterwege blijven, nu dat ziet op de eis dat een overeenkomst schriftelijk is; in dit geval was er ten tijde van het indienen van de aanvraag in het geheel geen overeenkomst met blokkerende zeggenschap.
9. Gelet op het voorgaande is het College met verweerder van oordeel dat niet is aangetoond dat zoon en dochter in de vijf jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag blokkerende zeggenschap hadden. Verweerder heeft dan ook terecht de aanvragen om toewijzing van betalingsrechten uit de Nationale reserve voor jonge landbouwers en de extra betaling voor jonge landbouwers voor 2015 afgewezen.
10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. Winter, mr. H.O. Kerkmeester en mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van mr. M.B.L. van der Weele, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 november 2017.
w.g. R.R. Winter w.g. M.B.L. van der Weele