ECLI:NL:CBB:2017:369
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- R.R. Winter
- H.O. Kerkmeester
- A. Venekamp
- Rechtspraak.nl
Afwijzing toewijzing betalingsrechten jonge landbouwers wegens ontbreken blokkerende zeggenschap
De maatschap, bestaande uit vader, moeder, zoon en dochter, verzocht om toewijzing van betalingsrechten uit de nationale reserve voor jonge landbouwers en een extra betaling voor jonge landbouwers over 2015. Verweerder wees deze aanvragen af omdat zoon en dochter geen daadwerkelijke en langdurige blokkerende zeggenschap over de maatschap konden uitoefenen.
De kern van het geschil betrof de vraag of zoon en dochter als jonge landbouwers konden worden aangemerkt, waarvoor zij ten minste blokkerende zeggenschap over het bedrijf moesten hebben volgens artikel 49 van Pro Verordening 639/2014 en de Beleidsregel Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB. De maatschap stelde dat zij deze zeggenschap hadden op grond van een maatschapsovereenkomst van januari 2016 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2014.
Het College oordeelde dat ten tijde van de aanvraag in 2015 de overeenkomst van september 2014 gold, waarin geen blokkerende zeggenschap was geregeld. De latere overeenkomst van januari 2016, hoewel met terugwerkende kracht, kon niet leiden tot het oordeel dat zoon en dochter in 2015 blokkerende zeggenschap hadden. De inschrijving in het handelsregister bevestigde dit. Verweerder had de Beleidsregels correct toegepast en de afwijzing was terecht.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de toewijzing van betalingsrechten en extra betaling jonge landbouwers wordt ongegrond verklaard.