ECLI:NL:CBB:2017:470
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- R.R. Winter
- H.O. Kerkmeester
- A. Venekamp
- Rechtspraak.nl
Afwijzing toewijzing betalingsrechten jonge landbouwer wegens ontbreken blokkerende zeggenschap
Appellante, een maatschap die een landbouwbedrijf exploiteert, verzocht om toewijzing van betalingsrechten uit de Nationale reserve voor jonge landbouwers en om extra betaling. Verweerder wees deze aanvragen af omdat de jonge landbouwer binnen de maatschap geen daadwerkelijke en langdurige blokkerende zeggenschap kon uitoefenen, zoals vereist volgens de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB.
De kern van het geschil betrof de eis dat blokkerende zeggenschap moet blijken uit een schriftelijke overeenkomst tussen alle maten van de maatschap. Appellante stelde dat deze schriftelijkheidseis niet uit Europese regelgeving voortvloeit en dat verweerder niet bevoegd is deze eis te stellen. Het College oordeelde echter dat het stellen van deze eis binnen de nationale procedurele autonomie valt en niet in strijd is met het gelijkwaardigheids- en doeltreffendheidsbeginsel van het Unierecht.
De maatschap had de afspraken tussen de maten pas ruim na de aanvraag schriftelijk vastgelegd, namelijk meer dan negen maanden later, terwijl verweerder een coulancebeleid hanteert dat alleen schriftelijke overeenkomsten binnen negen maanden na het maken van de afspraken accepteert. Hierdoor kon verweerder de schriftelijke overeenkomst niet als bewijs betrekken. Verder wees het College het beroep af dat de inschrijving in het handelsregister voldoende bewijs zou zijn voor blokkerende zeggenschap.
Het College concludeerde dat appellante niet heeft aangetoond dat de jonge landbouwer voorafgaand aan de aanvraag blokkerende zeggenschap had en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van toewijzing van betalingsrechten en extra betaling voor jonge landbouwers wordt ongegrond verklaard.