ECLI:NL:CBB:2018:156
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing toewijzing betalingsrechten jonge landbouwer wegens ontbreken blokkerende zeggenschap
Appellante, een landbouwbedrijf exploiterend, verzocht om toewijzing van betalingsrechten uit de Nationale reserve voor jonge landbouwers en een extra betaling. Verweerder wees deze aanvragen af omdat de jonge landbouwer geen daadwerkelijke en langdurige blokkerende zeggenschap kon uitoefenen. Volgens de geldende regelgeving moet de jonge landbouwer ten minste blokkerende zeggenschap hebben over ondernemingsbeslissingen met een financieel belang van meer dan € 25.000.
De afspraken binnen de maatschap van appellante waren ten tijde van de aanvraag niet schriftelijk vastgelegd. Hoewel later een schriftelijke overeenkomst werd ondertekend, was dit meer dan negen maanden na de ingangsdatum van de samenwerking, waardoor het coulancebeleid van verweerder niet van toepassing was. Appellante voerde aan dat verweerder het coulancebeleid ruimhartiger had moeten toepassen, maar het College vond geen bijzondere omstandigheden die dit rechtvaardigen.
Appellante stelde ook dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden omdat in een andere zaak een overeenkomst die later was ondertekend wel werd geaccepteerd. Het College oordeelde dat deze zaak betrekking had op een ander premiejaar en dat het coulancebeleid toen anders was, waardoor het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet opging.
Verder wees het College het verzoek om vergoeding van kosten in de bezwaarfase af omdat het bestreden besluit niet onrechtmatig was en het primaire besluit niet was herroepen. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van blokkerende zeggenschap voorafgaand aan de aanvraag.