Appellante had bij haar gecombineerde opgave 2012 toeslagrechten aangevraagd voor 12 percelen met een totale oppervlakte van 24,77 hectare. Verweerder stelde bij het primaire besluit de subsidiabele oppervlakte van enkele percelen kleiner vast, wat leidde tot een lagere bedrijfstoeslag en een korting wegens afgekeurde oppervlakte.
Appellante voerde aan dat zij een dam per abuis niet had opgegeven en dat afgekeurde delen gecompenseerd konden worden met buiten de aangevraagde perceelgrenzen gelegen landbouwgrond. Het College oordeelde dat wijziging van de aanvraag na de uiterste datum alleen bij een kennelijke fout mogelijk is, wat hier niet het geval was. Tevens werd het beroep verworpen dat de perceelgrenzen onjuist waren vastgesteld.
Verder stelde appellante dat delen met riet ten onrechte waren afgekeurd omdat dit een voedergewas zou zijn. Het College oordeelde dat riet niet onder blijvend grasland valt en daarom niet subsidiabel is volgens de relevante EU-verordeningen.
Ten slotte betwistte appellante de opgelegde korting als onevenredig en in strijd met het EVRM en het Handvest van de grondrechten van de EU. Het College stelde dat de korting een bestuursrechtelijke sanctie is die niet strafrechtelijk van aard is en dat het sanctiestelsel niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Ook een beroep op verjaring werd verworpen.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.