ECLI:NL:CBB:2018:154

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
17 april 2018
Publicatiedatum
9 mei 2018
Zaaknummer
16/1054
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLBArt. 4:84 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
4 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing toewijzing betalingsrechten jonge landbouwer wegens ontbreken blokkerende zeggenschap in statuten

Appellante heeft een aanvraag ingediend voor toewijzing van betalingsrechten uit de Nationale reserve voor jonge landbouwers, welke door verweerder is afgewezen omdat uit de statuten niet blijkt dat de opgegeven jonge landbouwers blokkerende zeggenschap hebben. Appellante stelde dat mondelinge afspraken hierover voldoende zijn en verwees naar notulen van een aandeelhoudersvergadering.

Het geschil spitst zich toe op de uitleg van artikel 5, tweede lid, onder a, van de Beleidsregel Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB, waarin is bepaald dat blokkerende zeggenschap bij een besloten vennootschap moet blijken uit de statuten. Het College oordeelt dat dit voorschrift strikt moet worden toegepast en dat mondelinge afspraken of notulen onvoldoende bewijs vormen.

Het College constateert dat de statuten geen blokkerende zeggenschap voor de twee jonge landbouwers bevatten en dat de mondelinge afspraken niet juridisch afdwingbaar en onvoldoende verifieerbaar zijn. Ook is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die een afwijking van het beleid rechtvaardigen.

Daarom is de afwijzing van de toewijzing van betalingsrechten terecht en wordt het beroep ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de toewijzing van betalingsrechten blijft in stand.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/1054
5111

uitspraak van de meervoudige kamer van 17 april 2018 in de zaak tussen

[appellante] B.V., te [woonplaats] , appellante

(gemachtigde: mr. M. Vaas),
en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. M.A.G. van Leeuwen).

Procesverloop

Bij besluit van 18 april 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellante om toewijzing van betalingsrechten uit de Nationale reserve voor jonge landbouwers op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling) afgewezen.
Bij besluit van 5 oktober 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2018. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft de toewijzing van betalingsrechten uit de nationale reserve afgewezen, omdat uit de statuten van appellante niet blijkt dat de in de Gecombineerde opgave 2015 opgegeven twee jonge landbouwers blokkerende zeggenschap hebben. Appellante stelt dat verweerder ten onrechte vasthoudt aan schriftelijke neerlegging in de statuten van die blokkerende zeggenschap, terwijl mondelinge afspraken daarover voldoende zijn. Daarbij heeft zij gewezen op de notulen van de vergadering van aandeelhouders van 8 april 2016, waarin is vermeld dat de sinds 1 januari 2015 geldende mondelinge afspraak tussen de bestuurders van appellante dat iedere bestuurder (vennootschap of natuurlijk persoon) een blokkerende zeggenschap heeft voor investeringen en andere financiële afspraken voor bedragen van € 25.000,- of meer, schriftelijk wordt vastgelegd.
2. Het geschil gaat over de toepassing door verweerder van artikel 5, tweede lid, onder a, van de Beleidsregel Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Beleidsregel). Of de jonge landbouwer blokkerende zeggenschap heeft, wordt ingeval van een besloten vennootschap beoordeeld op basis van de statuten van de rechtspersoon, aldus deze bepaling. Naar het oordeel van het College moet de bepaling zo worden gelezen dat de blokkerende zeggenschap moet zijn vermeld in de statuten. Anders dan appellante heeft betoogd, is het onvoldoende dat de statuten, voorzien in de mogelijkheid om tot blokkerende zeggenschap te besluiten.
3. Het College stelt vast dat de statuten niet voorzien in blokkerende zeggenschap van de twee opgegeven jonge landbouwers. Beoordeeld aan de hand van de bewijsregel van artikel 5, tweede lid, onder a, van de Beleidsregel is dus geen sprake van blokkerende zeggenschap. Nog daargelaten of artikel 16, tweede lid van de statuten waarnaar appellante verwijst, aan de algemene vergadering de mogelijkheid biedt om tot blokkerende zeggenschap te besluiten, nu daar slechts is bepaald dat bepaalde besluiten van de directie aan voorafgaande goedkeuring van de algemene vergadering kunnen worden onderworpen, is een mondelinge afspraak die eerst ruim een jaar later in notulen van de algemene vergadering wordt genoemd, reeds om die reden onvoldoende. Het bestaan van blokkerende zeggenschap is, nog afgezien van de juridische afdwingbaarheid daarvan, voor verweerder volstrekt onvoldoende verifieerbaar.
In geval van bijzondere omstandigheden kan verweerder op grond van artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht gehouden zijn om van deze bepaling af te wijken indien de gevolgen onevenredig zijn in verhouding tot de met de Beleidsregel te dienen doelen. Daarvan is in dit geval niet gebleken.
4. Nu de twee als jonge landbouwer opgegeven personen geen blokkerende zeggenschap hebben, heeft verweerder terecht toewijzing van betalingsrechten uit de Nationale reserve voor jonge landbouwers afgewezen.
5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, mr. R.W.L. Koopmans en mr. C.J. Borman, in aanwezigheid van mr. M.B.L. van der Weele, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 april 2018.
w.g. A. Venekamp w.g. M.B.L. van der Weele