Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 3 september 2018 in de zaken tussen
PostNL N.V. en haar groepsmaatschappijen (PostNL), te Den Haag
Sandd B.V. (Sandd), te Apeldoorn
Intrapost B.V. (IP), te ’s-Hertogenbosch
Van Straaten Post B.V. en Van Straaten Post Utrecht B.V. (VSP), te Nieuwegein
Autoriteit Consument en Markt (ACM), verweerster,
Procesverloop
Overwegingen
“Keuzemogelijkheden en overstapgedrag zakelijk postvervoer”(SEO-onderzoek), waartoe ACM opdracht had gegeven. In de critical loss analyse is het verkrijgen van betrouwbare data over de prijzen op competitief niveau, de marge en de prijsgevoeligheid een belangrijk knelpunt. De hoogte van de brutomarge is van invloed op de bepaling van de critical loss en de uitkomst van de critical loss analyse. Van de hoogte daarvan dient ACM een inschatting te maken. Voor de bepaling van de actual loss moet gestart worden vanuit competitieve prijzen, terwijl de hypothese is dat bij het vervoer van 24-uurs partijenpost geen sprake is van een concurrerende markt en de prijzen niet competitief zijn. Het werken met boven-competitieve prijzen leidt tot een overschatting van de overstapbereidheid en het optreden van een cellophane fallacy, waardoor het risico bestaat dat een relevante markt te breed wordt afgebakend. Afnemers zijn bij boven-competitieve prijzen namelijk eerder geneigd een product als substituut aan te merken dan wanneer de prijs in concurrentie tot stand is gekomen. Het belangrijkste probleem is dat de huidige prijzen voor het vervoer van partijenpost vermoedelijk niet op competitief niveau liggen. In het SEO-onderzoek is gebruik gemaakt van gemiddelde opbrengsten, waardoor in de situatie van een markt met een mogelijke onderneming met AMM een risico bestaat op overschatting van het overstapgedrag bij een prijsstijging. Daarnaast is een precieze toepassing van de critical loss analyse een bron van discussie. De resultaten uit het SEO-onderzoek in combinatie met de inschattingen ten behoeve van critical loss en actual loss en de precieze toepassing van de analyse zorgen ervoor dat het uitvoeren van een critical loss analyse met robuuste uitkomsten voor de marktafbakening als resultaat, onvoldoende mogelijk is.
“Economics of Postal Services”, van juli 2004 (NERA-rapport) is een studie op basis van data uit 25 landen van de Europese Unie (EU) en vindt een brutomarge van 35%. Het rapport van WIK Consult,
“Main Developments in the Postal Sector”,van augustus 2013 (WIK-rapport 2013), geeft de brutomarge afhankelijk van het aantal poststukken dat inwoners gemiddeld per jaar verzenden. Voor Nederland betekent dit voor de in 2013 verstuurde postvolumes een brutomarge van 40%. Bij een dalend postvolume van maximaal 10% per jaar zou de brutomarge op basis van deze studie uitkomen op ongeveer 48% in 2017. De overige studies betreffen onderzoeken gebaseerd op data uit Australië, de Verenigde Staten (VS) of het Verenigd Koninkrijk (VK) en resulteren in brutomarges tussen globaal 30 en 40%. ACM heeft postvervoerders gevraagd naar de generieke brutomarge van postvervoer. Bij de berekening van het door haar gerapporteerde percentage heeft PostNL slechts de kosten die binnen één jaar kunnen worden vermeden als variabele kosten beschouwd. Kostenreducties (en dus variabele kosten) die pas in langere tijd zijn te realiseren, zijn dus door PostNL buiten beschouwing gelaten. Voor de SSNIP-test is echter de brutomarge op langere termijn van belang. Aannemelijk is immers dat bedrijven bij beslissingen over hun prijsstelling rekening houden met het effect op de winstgevendheid op langere termijn. PostNL was bij verdere navraag niet in staat een brutomarge te berekenen voor de langere termijn. Daarom gebruikt ACM bij de SSNIP-test voor de analyse de door PostNL aangeleverde brutomarge niet. Wat betreft het door Sandd gerapporteerde percentage is relevant dat Sandd een veel kleinere schaal heeft dan een hypothetische monopolist in de SSNIP-test. Een kleinere schaal geeft hogere vaste kosten waardoor de brutomarge van Sandd aan de hoge kant zal zijn. Gelet op het feit dat het WIK-rapport 2013 specifiek rekening houdt met het postvolume in een markt, acht ACM de uit die studie volgende brutomarge van 48% de meest betrouwbare schatting voor postvervoer in totaliteit. Gelet op de dalende postvolumes zal ACM in een gevoeligheidsanalyse rekening houden met een hogere brutomarge. ACM acht het waarschijnlijk dat de brutomarge van 48% voor alle postvervoer, representatief is voor 24-uurs partijenpost. In het geval prijzen voor alle typen partijenpost en alle typen klanten op competitief niveau liggen, is het niet aannemelijk dat de brutomarges voor het vervoer van partijenpost van klein-, midden- en grootzakelijke afzenders significant van elkaar zullen verschillen. Niet is in te zien welk wezenlijk verschil er in de kostenstructuur van deze diensten is. Wel zou voor 24-uurs partijenpost de brutomarge iets hoger kunnen zijn.
Future scenario developments in the Dutch postal market”, van 21 december 2016 (WIK-rapport 2016), wordt uitgegaan van een daling van ongeveer 7% per jaar tot 2020. Voor de analyse van de concurrentie op de postmarkt is niet relevant in welke mate de omvang van het volume aan postvervoer krimpt of de komende jaren zal krimpen. De cruciale vraag is of het digitaal verzenden een substituut is voor het vervoer van 24-uurs partijenpost als gevolg van een significante en duurzame prijsverhoging van deze diensten vanaf een competitief prijsniveau. Dit komt neer op de vraag of de vraaguitval aan 24-uurs partijenpost het resultaat is van prijsstijgingen of van externe factoren die ervoor zorgen dragen dat een autonome migratie naar elektronische wijzen van het verzenden van informatie, los van prijsstijgingen plaatsvindt. In wetenschappelijk onderzoek is er vanuit theoretisch oogpunt op gewezen dat een vraaguitval door elektronische communicatiemiddelen niet betekent dat deze producten tot dezelfde relevante markten behoren als postvervoer en er geen sprake meer is van AMM. Er kan nog steeds sprake zijn van een machtspositie, maar dan op een beperktere schaal vanwege de krimp van de markt. Een andere invalshoek is wat een krimpend volume aan partijenpost betekent voor de marktafbakening als er sprake is van productmigratie. Hierbij moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat afnemers die nog niet gemigreerd zijn een inelastische vraag hebben, bijvoorbeeld omdat hun poststroom zich niet leent voor digitale alternatieven. Het bestaan van een dergelijke groep afnemers kan impliceren dat een significante en duurzame prijsverhoging vanaf het competitieve niveau winstgevend is. Een ander perspectief betreft de aannemelijkheid van een zekere mate van complementariteit tussen 24-uurs postvervoer en het digitaal verzenden van informatie. Er zijn voorbeelden dat voor groepen afzenders elektronische communicatie leidt tot een vergroting van de waarde van het gebruik van 24-uurs partijenpost doordat elektronische berichtenverkeer leidt tot een opvolgactie waarbij post wordt verzonden. ACM acht het aannemelijk dat er voor de overstap naar digitaal verzenden sprake is van een autonome migratie als gevolg van de trend van digitalisering die onafhankelijk is van prijsstijgingen voor 24-uurs partijenpost. Naar het oordeel van ACM is een prijsstijging van 10% te klein om de keuze voor post of de meer vergaande keuze om digitaal te gaan verzenden in grote mate te beïnvloeden. De invloed van prijsstijging voor postvervoer is hierbij niet een doorslaggevende factor voor de keuze om uiteindelijk over te gaan op digitale verzending. Een tweede constatering is het feit dat er grote niet-prijs gerelateerde verschillen tussen het digitaal verzenden en 24-uurs partijenpost bestaan die ervoor zorgen dat een prijsstijging van 24-uurs partijenpost geen tot vrijwel geen invloed heeft op de afname hiervan. Het digitaal verzenden van schriftelijke informatie door middel van het versturen via elektronische communicatienetwerken en applicaties betreft een wezenlijk andere dienst dan het vervoer van 24-uurs partijenpost. Uit een vergelijking van de belangrijkste kenmerken van 24-uurs partijenpost met die van digitaal verzenden blijkt dat er wat betreft de belangrijkste karakteristieken van deze diensten ook grote verschillen bestaan die van belang zijn voor de keuze voor het verzenden van informatie. Deze verschillen tussen fysiek en digitaal verzenden betreffen de frequentie van de dienst (één keer per dag, vijf dagen in de week, versus continu), de snelheid (de volgende dag versus direct) de betrouwbaarheid (betrouwbaar versus, afhankelijk van de vorm, redelijk betrouwbaar), de integriteit/vertrouwelijkheid (hoog vanwege het briefgeheim versus, afhankelijk van de vorm, van hoog tot tamelijk laag), de dekking (landelijk, namelijk iedere geadresseerde, versus vrijwel landelijk, namelijk gebruikers van elektronische media) en de toegankelijkheid (voor alle zakelijke afzenders beschikbaar versus afhankelijk van de wijze van digitaal verzenden en beschikbaarheid van middelen bij afzender en geadresseerde). Een relevante factor is verder de verwachting dat in het geval digitaal verzenden een substituut zou zijn voor 24-uurs partijenpost, dit prijsdruk oplevert. Uit het overzicht van de ontwikkeling van de gemiddelde opbrengst van partijenpost blijkt echter dat de prijzen voor 24-uurs zakelijke post zijn gestegen.
“Analyse toekomst postmarkt. Het belang van post in een digitale wereld” van10 juli 2017 (EZ-rapport) gaat uit van de grote veranderingen in de sector door digitalisering.
“Reactie op de tweede marktanalyse postsector ACM”,van 19 juli 2016 en PostNL verwijst tevens naar het Copenhagen Economics rapport
“ACM’s market definition is incorrect: Theoretical and empirical evidence”van 22 december 2017. ACM heeft hiervoor geen alternatieve kwantitatieve analyse in de plaats gesteld. De argumenten die ACM geeft voor het ter zijde schuiven van de rapporten van RBB Economics en SEO zijn niet overtuigend.
“ACM wrongly relies on the Cellophane Fallacy to dismiss empirical findings of price-demand response”,van 22 december 2017 blijkt dat de 24-uurs bulktarieven in Nederland behoren tot de laagste in Europa. Ook heeft ACM in haar analyse niet het feit meegenomen dat de tarieven die PostNL mag hanteren voor UPD een natuurlijke cap vormen op de prijsvorming van de niet-UPD partijenpost. De prijsstijgingen voor de 24-uurs zakelijke post die ACM constateert, kunnen niet los worden gezien van de enorme volumedalingen. ACM is bovendien inconsistent door zich uitsluitend te richten op de prijzen voor 24-uurs post, terwijl volgens het marktanalysebesluit ook 48-uurs en 72+-uurs partijenpost tot dezelfde productmarkt behoren. Zoals Copenhagen Economics aangeeft in haar rapport zijn er diverse methoden om te analyseren of de cellophane fallacy zich voordoet, zoals een prijsvergelijking, een prijs-kosten analyse of een winstgevendheidsanalyse. Die analyses laten zien dat er geen sprake is van indicaties dat tarieven boven-competitief zijn en de cellophane fallacy zich dus niet voordoet.
“Kamerbrief over toekomst van de postmarkt”van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 15 juni 2018, waarin onder meer de passage is opgenomen:
“Concurrentiedruk op de Nederlandse postmarkt”van 24 november 2014 en het SEO-onderzoek, waartoe ACM opdracht had gegeven. Ook het rapport van Copenhagen Economics,
“ACM’s market definition is incorrect”, van 22 december 2017 laat zich hierover uit.
“ACM wrongly relies on the Cellophane Fallacy to dismiss empirical findings of price-based demand response”, heeft PostNL bestreden dat de huidige prijzen voor 24-uurs partijenpost significant boven het competitieve niveau liggen. PostNL wijst op drie methoden die ACM hiervoor had kunnen gebruiken. ACM heeft dit nagelaten en het onderzoek dat PostNL hiertoe door Copenhagen Economics heeft laten uitvoeren, zaait twijfel of dit competitieve prijsniveau inderdaad significant wordt overschreden. In de eerste plaats was een vergelijking mogelijk geweest van de prijzen met het prijsniveau voor vergelijkbare producten, bijvoorbeeld in andere landen. Copenhagen Economics baseert zich hierbij op de gecombineerde prijsontwikkeling van 24-, 48- en 72+-uurs partijenpost, aangezien deze gezamenlijk deel uitmaken van de door ACM afgebakende relevante markt. Uitgangspunt daarbij is dat de prijzen hiervoor zich in elk geval nog op een competitief niveau bevonden toen in 2009 deregulering plaatsvond. Copenhagen Economics baseert dit uitgangspunt op de passage in nummer 42 van de richtsnoeren marktanalyse die luidt:
“Verplichtingen voor een postvervoerbedrijf dat beschikt over aanmerkelijke marktmacht”van de Postwet. Beroepsgrond B.2 van PostNL slaagt.
Beslissing
- verklaart de beroepen van Sandd, VSP en IP ongegrond;
- verklaart het beroep van PostNL gegrond;
- vernietigt het marktanalysebesluit;
- draagt ACM op het betaalde griffierecht van € 333,00 aan PostNL te vergoeden;