De Autoriteit Consument en Markt (ACM) heeft op 27 april 2012 het besluit genomen om de verplichtingen voor lage kwaliteit wholesalebreedbandtoegang (LK WBT) aan KPN per 1 mei 2012 in te trekken, omdat de markt inmiddels concurrerend zou zijn. Diverse partijen, waaronder Euronet, Tele2 en Vodafone, hebben hiertegen beroep ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBB).
Het geschil betrof onder meer de marktafbakening van LK WBT, waarbij ACM stelde dat breedbandtoegang via coax tot dezelfde relevante markt behoort als via koper. ACM voerde een SSNIP-test uit om indirecte prijsdruk aan te tonen en concludeerde dat coax en koper substitueerbaar zijn. Appellanten betwistten de gehanteerde parameters en de aannemelijkheid van de prijsdruk, maar het College oordeelde dat ACM haar standpunt aannemelijk had gemaakt en de onzekerheidsmarges niet tot vernietiging leiden.
Verder werd de dominantie van KPN op de markt besproken. ACM concludeerde dat KPN geen aanmerkelijke marktmacht (AMM) meer bezit, mede door ULL-regulering en concurrentie van kabelmaatschappijen. Appellanten voerden aan dat ACM de impact van ULL-regulering overschatte en dat KPN wel degelijk AMM heeft, maar het College verwierp deze gronden, onder meer omdat de ULL-uitspraak de prijsverhogingen voor SDF-access corrigeerde en ACM overtuigend had onderbouwd dat KPN geen AMM bezit.
Het College concludeerde dat ACM terecht de verplichtingen voor LK WBT heeft ingetrokken en verklaarde de beroepen ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.