Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CBB:2018:583

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
6 november 2018
Publicatiedatum
9 november 2018
Zaaknummer
18/1479
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Herziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:119 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om herziening niet-ontvankelijk wegens overschrijding termijn en ontbreken nova

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven behandelde een verzoek tot herziening van een uitspraak van 1 september 2016. Verzoeker had bezwaar gemaakt tegen een besluit van de staatssecretaris van Economische Zaken en was in het gelijk gesteld, maar wilde de uitspraak laten herzien.

De herziening kan slechts worden toegewezen indien sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden (nova) die voor de uitspraak niet bekend waren en die tot een andere uitspraak hadden kunnen leiden. Verzoeker stelde echter geen nova, maar alleen argumenten tegen de eerdere uitspraak.

Daarnaast werd het verzoek om herziening pas meer dan twee jaar na de oorspronkelijke uitspraak ingediend, terwijl het College een termijn van één jaar hanteert als richtlijn voor het tijdig indienen van een herzieningsverzoek. Gezien het ontbreken van nova en de overschrijding van de termijn verklaarde het College het verzoek niet-ontvankelijk.

Het College benadrukte dat het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet bedoeld is om een geschil opnieuw aan de rechter voor te leggen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en de uitspraak werd in het openbaar gedaan op 6 november 2018.

Uitkomst: Het verzoek om herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding en ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/1479
50000
uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van de enkelvoudige kamer van 6 november 2018 op het verzoek van
[naam] , te [plaats] , verzoeker,
om herziening van de uitspraak van het College van 1 september 2016, zaaknummer 14/240.

Procesverloop

Bij bovengenoemde uitspraak van 1 september 2016 heeft het College beslist op het beroep van verzoeker tegen de beslissing op bezwaar van de staatssecretaris van Economische Zaken van 18 maart 2014, kenmerk 492-5836 mev.
Verzoeker heeft het College verzocht de uitspraak te herzien.

Overwegingen

1.1
Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
1.2
Op grond van artikel 8:119, tweede lid, in samenhang met artikel 8:54, eerste lid, onder b, Awb kan de bestuursrechter, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. Het College ziet aanleiding om in deze procedure van deze bevoegdheid gebruik te maken en doet uitspraak zonder zitting. Daartoe overweegt het College als volgt.
2. Hoewel de indiening van een verzoek om herziening niet aan enige wettelijke termijn is gebonden, hanteert het College ingevolge de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, grote kamer, van 28 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:308, bij de beoordeling van een dergelijk verzoek het “onredelijk laat-criterium”. Dit betekent dat als regel wordt uitgegaan van een termijn van één jaar. De indiening van een verzoek om herziening wordt als onredelijk laat aangemerkt, indien het verzoek is ingediend meer dan een jaar na het bekend worden met de daarin gestelde nieuwe feiten of omstandigheden (hierna: nova) dan wel, indien geen nova zijn gesteld, na de datum van openbaarmaking van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht. Een uitzondering op die regel wordt gemaakt voor die uitzonderlijke gevallen waarin het belang van de rechtszekerheid van andere belanghebbenden en bestuursorganen dermate betrokken is, dat het hanteren van een zo lange termijn niet aanvaardbaar zou zijn. Een dergelijke uitzondering doet zich in dit geval niet voor.
3. Verzoeker heeft in zijn verzoek om herziening uiteengezet waarom hij zich niet kan verenigen met de uitspraak van het College van 1 september 2016. Uit hetgeen verzoeker in zijn verzoekschrift heeft aangevoerd kunnen nova als evenbedoeld niet worden afgeleid.
4. Gelet hierop moet vervolgens worden vastgesteld dat de uitspraak, waarvan verzoeker herziening heeft verzocht, op 1 september 2016 openbaar is gemaakt en dat het verzoek om herziening van die uitspraak, blijkens het stempel van PostNL is verzonden op 13 augustus 2018 en op 14 augustus 2018, en daarmee meer dan een jaar later, bij het College ingekomen.
5. Nu het verzoek niet tijdig is ingediend moet het niet-ontvankelijk worden verklaard.
6. Ten overvloede overweegt het College het volgende. Indien verzoeker zijn verzoek tijdig zou hebben ingediend, zou dit moeten worden afgewezen. Herziening van een uitspraak is alleen mogelijk op grond van feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, Awb. Zoals overwogen onder 3. heeft verzoeker geen nova, maar uitsluitend argumenten aangevoerd op grond waarvan hij het niet eens is met de uitspraak van 1 september 2016. Het bijzondere rechtsmiddel van herziening strekt er echter niet toe om een geschil waarin uitspraak is gedaan naar aanleiding van die uitspraak opnieuw aan de rechter voor te leggen.
7. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat voortzetting van het onderzoek niet nodig is. Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het verzoek om herziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van
R. van Cuilenborg, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
6 november 2018.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. R. van Cuilenborg
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij het College. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.