ECLI:NL:CBB:2018:599
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen heffingen op grond van de Regeling Fosfaatreductieplan 2017 afgewezen
Appellante, exploitant van een melkveebedrijf, kreeg meerdere heffingen opgelegd op grond van de Regeling Fosfaatreductieplan 2017 vanwege het houden van meer melkvee dan het referentieaantal op de peildatum 2 juli 2015. Zij maakte bezwaar tegen deze heffingen en stelde beroep in bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
Appellante voerde aan dat bijzondere omstandigheden, zoals de ziekte van een van haar maten en de aanwezigheid van paratuberculose bij enkele koeien, het referentieaantal zouden moeten aanpassen. Tevens stelde zij dat het verhuurde deel van haar melkquotum meegewogen moest worden, omdat dit de feitelijke omvang van haar veestapel beïnvloedde. Daarnaast stelde zij dat de opgelegde heffingen een individuele en buitensporige last vormden in strijd met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens.
Het College oordeelde dat de knelgevallenregeling in artikel 12, tweede lid, van de Regeling alleen toepassing vindt indien het referentieaantal minimaal 5% lager was door bijzondere omstandigheden. De theoretische, niet-gerealiseerde groei van de veestapel, zoals het verhuurde melkquotum, valt hier niet onder. Ook achtte het College de heffingen niet van dien aard dat sprake is van een individuele en buitensporige last. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard.
Er werd geen aanleiding gezien om appellante nader in de gelegenheid te stellen haar standpunt uit te werken en ook werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door mr. R.C. Stam namens het College van Beroep voor het bedrijfsleven op 13 november 2018.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de heffingen op grond van de Regeling Fosfaatreductieplan 2017 wordt ongegrond verklaard.