Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 26 februari 2018 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [plaats] , appellante
de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
- alle onderzoeken door of namens de NVWA, waaronder monsterneming van dieren, diervoerders, diergeneesmiddelen en andere producten die daarvoor naar het oordeel van de NVWA in aanmerking komen, worden door appellante toegestaan;
- het op of aan dieren aanbrengen van een merk wordt door appellante gedoogd;
- de dieren op het bedrijf waarop deze maatregel van toepassing is, mogen zolang de hiervoor bedoelde onderzoeken niet zijn afgerond, niet van het bedrijf worden afgevoerd, tenzij na voorafgaande toestemming en zo nodig onder begeleiding en toezicht van de NVWA. Dit geldt zowel voor de levende dieren als de dieren die tijdens de ondertoezichtplaatsing om welke reden dan ook sterven of worden gedood;
- de kalveren met I&R nummers [… 1] , [… 2] , [… 3] en [… 4] , waarbij is vastgesteld dat Furaltadone is toegediend, worden uit de handel genomen en vernietigd;
- een ieder, werkzaam binnen het bedrijf, is verplicht alle medewerking aan de NVWA te verlenen betreffende de uitvoering van dit besluit.
- de 50 runderen, waarbij de stof AMOZ in de urine is aangetoond uit de handel te nemen en deze runderen te vernietigen;
- om een nader te bepalen aantal runderen van het bedrijf, allen geboren vóór 15 juli 2013, af te voeren en uit de handel te nemen. Het vlees en de organen van deze dieren zal voor nader onderzoek worden bestemd.
- om stal 1, inclusief de voerkeuken en de hierin aanwezige voorwerpen waar de jonge runderen, geboren na 15 juli 2013, waren gehuisvest, te reinigen en te ontsmetten met een wettelijk toegestaan ontsmettingsmiddel;
- appellante dient de reiniging en ontsmetting aan de NVWA te melden binnen 24 uur na afronding ervan.
€ 303.629,52.
Geachte heer Heukels,
4.1.8 Het College kan appellante verder niet volgen in haar opvatting dat verweerder, nadat er vermoedens waren gerezen dat haar kalveren met Furaltadone waren besmet, had moeten wachten met nader onderzoek totdat die stof langs natuurlijke weg eventueel de kalveren weer had verlaten. Er is geen enkele rechtsregel waaruit dit zou volgen. Integendeel volgt uit artikel 8.11, eerste en tweede lid, van de Regeling dat verweerder, overeenkomstig artikel 17 van Pro Richtlijn 96/23/EG, gehouden is over te gaan tot ondertoezichtstelling en verder onderzoek.
4.6 Op grond van artikel 9.1, eerste lid, onder h, en tweede lid van de Wet dieren en de artikelen 8.14, 8.16 en 8.17 van de Regeling was verweerder bevoegd tot verhaal van de kosten van controles en bemonstering bij appellante, van de analyse van de genomen monsters en van het uit de handel nemen en vernietigen van de met furaltadone besmette dieren op appellante.
5.2 Het beroep tegen bestreden besluit 2 is gegrond en het College vernietigt dit besluit. Verweerder zal een nieuw besluit op het bezwaar tegen het kostenbesluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Beslissing
- verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond;
- vernietigt bestreden besluit 2;
- draagt verweerder op binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar tegen het kostenbesluit met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 331,-- aan appellante te vergoeden;
€ 1.002,--.
BIJLAGE
De van belang zijnde regelgeving luidt als volgt:
1. Officiële monsternemingen moeten worden uitgevoerd overeenkomstig de bijlagen III en IV teneinde in erkende laboratoria te worden onderzocht.
De praktische regels voor het nemen van officiële monsters, alsmede voor de analyse van deze officiële monsters te bezigen routine- en referentiemethoden, worden door de Commissie vastgesteld. (…)
Voor alle stoffen geldt dat, indien de uitkomst wordt aangevochten op basis van een analyse op tegenspraak, deze resultaten bevestigd moeten worden door het nationale referentielaboratorium dat overeenkomstig artikel 14, lid 1, voor de betrokken stof of het betrokken residu is aangewezen; wanneer deze laatste bevestiging positief is, komen de kosten ten laste van de eiser.
3. Wanneer bij onderzoek van een officieel monster sprake is van een illegale behandeling, gelden de artikelen 16 tot en met 19, alsmede de in hoofdstuk V bedoelde maatregelen.
(…)
De Lid-Staten zien erop toe dat bij een positieve uitkomst die volgens artikel 15 is Pro verkregen,
a. op het bedrijf van herkomst c.q. van oorsprong een onderzoek om de redenen voor de aanwezigheid van de residuen vast te stellen;
Doel en toepassingsgebied
Definities
Voor de toepassing van deze beschikking gelden de definities van Richtlijn 96/23/EG en van bijlage 1 bij deze beschikking.
De lidstaten zorgen ervoor dat de analysemethoden die worden gebruikt voor het opsporen van de volgende stoffen voldoen aan de in bijlage II aangegeven minimaal vereiste prestatielimitieten (MRLP’s) in de in die bijlage genoemde matrices:
(…);
b. nitrofuranmetabolieten;
(…)
(…)
1.18 Minimaal vereiste prestatielimiet (MRLP): het minimale gehalte van een analyt in een monster dat is aangetoond en bevestigd moet worden. Dit is bedoeld om de analytische prestaties van stoffen waarvoor geen toelaatbaar gehalte is vastgesteld te harmoniseren.
(…)
Definities
Daarnaast zijn de volgende definities van toepassing:
(…)
10. ,, niet-naleving”: niet-naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake de bescherming van de diergezondheid en het dierenwelzijn;
- secundaire geslachtskenmerken;
- wijzigingen in het gedrag;
- dezelfde mate van ontwikkeling in een groep dieren van verschillende rassen en klassen;
- dieren met goede bevleesdheid en weinig vet.
(…)
Na elke bemonstering wordt een rapport opgesteld.
In het bemonsteringsrapport vermeldt de inspecteur ten minste de volgende gegevens:
- naam van de inspecteur of identificatiecode;
- officieel codenummer van het monster;
- datum van de bemonstering;
- naam en adres van de eigenaar van het dier of de dierlijke producten, of van de persoon die ervoor verantwoordelijk is;
- naam en adres van het bedrijf van herkomst van het dier (bij bemonstering op het bedrijf);
- registratienummer van het bedrijf/nummer van het slachthuis;
- identificatie van het dier of het product;
- diersoort;
- aard van het monster;
- in de laatste vier weken vóór de bemonstering toegediende geneesmiddelen (bij bemonstering op het bedrijf);
- op te sporen stof of groep stoffen;
- bijzondere opmerkingen.”
Artikel 2.7. Handel in dieren
c. een verplichting tot vaststelling van hygiëneprocedures of tot ander handelen of nalaten dat noodzakelijk is om de veiligheid van dieren en producten op het bedrijf, de inrichting of de locatie te waarborgen, dan wel om de bij of krachtens een EU-verordening, EU-besluit of deze wet gestelde regels inzake dierenwelzijn, volksgezondheid of diergezondheid op het bedrijf, de inrichting of de locatie na te komen.
(…)