Appellanten, pandhuizen die pandbeleningen aanbieden, brachten in de periode 2015 een hogere pandbeleningsvergoeding in rekening dan wettelijk toegestaan. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) legde hen boetes op wegens overtreding van de maximale vergoeding van 4,5%, vastgesteld in de Wet handhaving consumentenbescherming en het Burgerlijk Wetboek.
De rechtbank Rotterdam verklaarde de beroepen van appellanten ongegrond en oordeelde dat de boetes niet onredelijk waren en dat de regelgeving niet in strijd was met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Appellanten voerden hoger beroep aan met onder meer het argument dat de boetes onevenredig hoog waren en dat hun eigendomsrechten werden geschonden.
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven bevestigde de uitspraken van de rechtbank. Het oordeelde dat de boetes binnen de wettelijke bandbreedte vielen, dat het opleggen van boetes gerechtvaardigd was en dat de argumenten over schending van eigendomsrechten en discriminatie niet slaagden. Ook werd het beroep tegen het besluit tot betalingsuitstel ongegrond verklaard.
De uitspraak benadrukt dat het opleggen van boetes bedoeld is om leed toe te voegen en niet alleen het wederrechtelijk verkregen voordeel weg te nemen. De financiële draagkracht van appellanten werd meegewogen, maar onvoldoende onderbouwd om verdere matiging te rechtvaardigen. Het College concludeerde dat de boetes evenredig en rechtmatig zijn opgelegd.