ECLI:NL:CBB:2019:247
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op verhoging fosfaatrecht wegens dierziekte in 2015
Appellante heeft gemeld dat haar melkproductie in 2015 lager was door dierziekte, waardoor zij een verlaging van haar fosfaatrecht op grond van artikel 23, zesde lid, van de Meststoffenwet (Msw) vorderde. De minister stelde het fosfaatrecht vast op 7.334 kg en wees het bezwaar van appellante af.
Appellante stelde dat haar melkproductie door acute en chronische pensverzuring was gedaald van 8.699 kg in 2014 naar 7.942 kg in 2015, en dat dit een stagnatie van de groei betekende die in 2013 was ingezet. Verweerder erkende de lagere productie maar hield vast aan de vaststelling omdat de daling niet boven de 5%-drempel uitkwam.
Het College oordeelde dat de bewijslast voor de doorzetting van de groei bij appellante ligt en dat het aangeleverde bewijs onvoldoende was om de verwachte groei in 2015 overtuigend aan te tonen. De melding van appellante werd als een bezwaarschrift tegen het besluit van 3 januari 2018 gezien, waarbij de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de afwijzing van haar verzoek tot verhoging van het fosfaatrecht wegens dierziekte wordt ongegrond verklaard.