ECLI:NL:CBB:2019:332

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
6 augustus 2019
Publicatiedatum
5 augustus 2019
Zaaknummer
18/1787
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21b MswArt. 23 lid 3 MswArt. 23 lid 6 Msw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen vaststelling fosfaatrecht en toepassing knelgevallenregeling afgewezen

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit waarin het fosfaatrecht voor zijn bedrijf is vastgesteld op 6.234 kilogram. Dit besluit is gebaseerd op de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen door melkvee op 2 juli 2015. Het bezwaar van appellant is door de minister ongegrond verklaard, waarna appellant beroep instelde bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

Appellant voerde aan dat vanwege dierziekte op zijn bedrijf en problemen met melkrobots de gemiddelde melkproductie en het aantal dieren lager waren, waardoor hij aanspraak zou moeten maken op de knelgevallenregeling van artikel 23, zesde lid, Meststoffenwet. De minister stelde dat appellant niet voldeed aan de voorwaarden van deze regeling, omdat de fosfaatproductie op de peildatum niet minimaal 5% lager was dan in de referentieperiode.

Het College oordeelde dat bij toepassing van de knelgevallenregeling geen rekening wordt gehouden met niet gerealiseerde uitbreidingen op de peildatum. De minister heeft terecht de dieraantallen van 2014 als referentie genomen en niet de hypothetische aantallen die appellant in 2015 zou hebben gehad zonder dierziekte. Daarmee is het beroep ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot vaststelling van het fosfaatrecht wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/1787

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 augustus 2019 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. D.D. Bos),
en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. S.M. Piron en mr. M. Leegsma).

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellant vastgesteld op 6.234 kilogram (kg).
Bij besluit van 20 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 21b van de Msw is het een landbouwer verboden op zijn bedrijf in een kalenderjaar meer dierlijke meststoffen met melkvee, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, te produceren dan het op het bedrijf rustende fosfaatrecht. Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.
Ingevolge artikel 23, zesde lid, van de Msw bepaalt de minister, indien een landbouwer voor 1 april 2018 meldt en aantoont dat het reguliere fosfaatrecht minimaal vijf procent lager is door bouwwerkzaamheden, diergezondheidsproblemen, ziekte, ziekte of overlijden van een persoon van het samenwerkingsverband van de landbouwer of een bloed- of aanverwant in de eerste graad, of vernieling van de melkveestallen, het fosfaatrecht aan de hand van het melkvee waarover deze landbouwer zonder deze buitengewone omstandigheden zou hebben beschikt (de knelgevallenregeling).
2. Verweerder heeft bij het primaire besluit het fosfaatrecht van appellant vastgesteld op 6.234 kg. Daarbij is verweerder uitgegaan van een totale melkproductie in 2015 van 1.131.467 kg, een gemiddeld aantal melk- en kalfkoeien van 112,4, een gemiddelde melkproductie per koe in 2015 van 10.066 kg en een excretieforfait van 46,4 kg. Op de peildatum van 2 juli 2015 hield appellant 109 melk- en kalfkoeien en 107 stuks jongvee. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Wat betreft het beroep van appellant op de knelgevallenregeling van artikel 23, zesde lid, van de Msw heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat weliswaar sprake is van dierziekte op het bedrijf van appellant, maar dat hij niet voldoet aan de voorwaarde in deze bepaling dat op
2 juli 2015 de productie van fosfaat van melkvee minimaal 5% lager was als gevolg van deze bijzondere omstandigheid. Hiertoe heeft verweerder de gegevens op de peildatum van
2 juli 2015 vergeleken met de gegevens en dieraantallen op 7 mei 2014, dat is de datum waarop appellant te maken kreeg met de dierziekte op zijn bedrijf. Op 2 juli 2015 is het fosfaatrecht zonder generieke korting 6.798,20 kg, terwijl op basis van de gegevens op
7 mei 2014 (met 114 melk- en kalfkoeien en 92 stuks jongvee) het fosfaatrecht zonder generieke korting op 6.769,2 kg en dus lager zou uitkomen.
3.1
Appellant heeft aangevoerd dat verweerder zijn beroep op de knelgevallenregeling ten onrechte niet heeft gehonoreerd. Appellant heeft in 2013 twee nieuwe melkrobots in gebruik genomen. Na een software-update van die robots in mei 2014 is het aantal dieren met mastitis toegenomen. De problemen rondom de melkrobots en daarmee ook de diergezondheidsproblemen zijn pas in 2017 opgelost. Vanwege de diergezondheidsproblemen zijn melkkoeien afgevoerd en is de gemiddelde melkproductie op het bedrijf gedaald. Appellant betoogt primair dat verweerder had moeten uitgaan van de gemiddelde melkproductie in 2014 en rekening had moeten houden met de dieraantallen die hij in 2015 zou hebben gehad als de dierziekte niet was ingetreden (120 melk- en kalfkoeien en 107 stuks jongvee). Subsidiair betoogt hij dat verweerder had moeten uitgaan van de gemiddelde melkproductie in 2015 en – ook weer – rekening had moeten houden met de dieraantallen die hij in 2015 zou hebben gehad als de dierziekte niet was ingetreden
3.2
Zoals het College heeft overwogen in de uitspraak van 11 juni 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:232) wordt bij toepassing van de knelgevallenregeling geen rekening gehouden met niet gerealiseerde uitbreidingen op 2 juli 2015. Bij de beoordeling of het fosfaatrecht van appellant minimaal 5% lager is door dierziekte , is verweerder dus terecht uitgegaan van de dieraantallen in 2014 en niet, zoals door appellant bepleit, van de dieraantallen die hij in 2015 zou hebben gehad. Dat appellant geen uitbreider is maar bij hem slechts sprake is van geringe groei, maakt dit niet anders (zie de uitspraak van het College van 9 juli 2019, ECLI:NL:CBB:2019:278, r.o. 4). Verweerder heeft dan ook terecht de afgevoerde melkkoeien in zoverre niet in genoemde beoordeling meegenomen. De beroepsgrond slaagt niet.
4. Het beroep is dus ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van mr. P.B. van Onzenoort, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2019.
w.g. A. Venekamp w.g. P.B. van Onzenoort