ECLI:NL:CBB:2019:350
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Beoordeling subsidiabele oppervlakte perceel landbouwbedrijf en proceskostenveroordeling
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het herziene bestreden besluit van verweerder waarin de subsidiabele oppervlakte van perceel 10 van haar landbouwbedrijf voor het jaar 2015 is vastgesteld op 7,45 hectare. Verweerder had bij eerdere besluiten de oppervlakte vastgesteld en betalingsrechten toegekend, waarna het College in 2017 de besluiten vernietigde en verweerder opdroeg nieuwe besluiten te nemen.
In het geschil staat centraal of de greppel in perceel 10 als subsidiabel landbouwareaal moet worden aangemerkt. Appellante stelt dat de greppel niet zo diep is en dat vee er weidt, waardoor de oppervlakte groter moet zijn dan de door verweerder vastgestelde 7,45 hectare. Verweerder baseert zich op luchtfoto’s en stelt dat delen van de greppel en aanliggende waterpartijen niet subsidiabel zijn.
Het College concludeert dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de greppel aan de oost- en westzijde niet subsidiabel is, maar ziet geen aanleiding om de vaststelling van de oppervlakte te wijzigen vanwege andere niet-subsidiabele elementen zoals water, verruiging en uitritten. Het motiveringsgebrek in het besluit passeert het College met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro, omdat appellante niet benadeeld is.
Het beroep wordt ongegrond verklaard. Vanwege het motiveringsgebrek veroordeelt het College verweerder in de proceskosten van appellante en draagt verweerder op het griffierecht te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.