Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 8 oktober 2019 in de zaak tussen
Stichting GGZ Momentum, te Veldhoven, appellante,
de Nederlandse Zorgautoriteit, verweerster
Zilveren Kruis Zorgverzekeringen N.V.(Zilveren Kruis), te Utrecht,
CZ, te Tilburg,
Procesverloop
Overwegingen
In het arrest van 11 juli 2014, ECLI:NL:2014:1646 (CZ/Momentum) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de vergoeding die een niet-gecontracteerde zorgaanbieder voor zorg ontvangt niet zo laag mag zijn dat de verzekerde wordt belemmerd om naar een niet-gecontracteerde zorgaanbieder te gaan. Dit wordt ook wel aangeduid als: het hinderpaalcriterium.
In het arrest van 7 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:853 (Conductore/Zilveren Kruis en Interpolis) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de tekst en de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 13, eerste lid, van de Zvw geen steun bieden voor de opvatting dat een zorgverzekeraar de vergoeding voor niet-gecontracteerde zorg slechts mag verminderen met de (gemiddelde) extra (administratieve) kosten die zijn gemoeid met de afwikkeling van de niet-gecontracteerde zorg in kwestie en evenmin voor de opvatting dat het hinderpaalcriterium zich in algemene zin verzet tegen een generieke korting, zoals één van 25%. Of en in hoeverre het hinderpaalcriterium zich in bepaalde gevallen verzet tegen een generieke korting kan volgens de Hoge Raad slechts worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden, waaronder eventuele beleidsregels van de NZa.
“Zorgverzekeringen (…) hebben de nodige productkenmerken waarop ze kunnen verschillen en die consumenten dus moeten vergelijken om een goede keuze te kunnen maken. Maar niet alle kenmerken zijn even inzichtelijk. Met name verschillen in het vergoedingspercentage voor niet-gecontracteerde zorgaanbieders zijn voor consumenten zeer moeilijk te beoordelen en te wegen, niet in de laatste plaats omdat de grondslag voor dat percentage per polis kan verschillen en consumenten geen zicht hebben op bijvoorbeeld het ‘gemiddeld gecontracteerde tarief’.”
Ter zitting is gebleken dat appellante voor de door haar geboden zorg inmiddels contracten heeft afgesloten met CZ, Menzis en VGZ, maar niet met Zilveren Kruis. Dit betekent naar het oordeel van het College dat appellante in ieder geval ten aanzien van Zilveren Kruis belang heeft bij beoordeling van haar beroep, dat ertoe strekt dat verweerster op het punt van de in de polisvoorwaarden neergelegde vergoedingen voor niet-gecontracteerde zorg alsnog tot handhaving dient over te gaan.
De omstandigheid dat ziektekostenverzekeraars op grond van hun polisvoorwaarden minder dan 75% van het NZa-tarief vergoeden bij niet-gecontracteerde zorg, waardoor de eigen bijdrage voor de patiënten meer dan 25% van dat tarief bedraagt, maakt naar het oordeel van het College niet dat “de hinderpaal een gegeven is”, zoals appellante aanvoert. Om te beoordelen of sprake is van een feitelijke hinderpaal in de zin van het meergenoemde arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2014 is meer informatie nodig, zeker in het licht van het eveneens genoemde arrest van 7 juni 2019, die echter, zoals hiervoor is overwogen, ontbreekt.
“Dit verzoek om handhaving richt zich op het geven van een aanwijzing richting de volgende zorgverzekeraars: CZ, Menzis, VGZ en Zilveren Kruis. Dit omdat deze zorgverzekeraars zich jegens ons niet houden aan het hinderpaalcriterium, zoals vastgelegd in artikel 13 Zvw Pro. We laten het aan de NZa over onderzoek te verrichten naar de overige Nederlandse zorgverzekeraars, daar wij geen zicht hebben op hun handelswijzen wat betreft de naleving van artikel 13 Zvw Pro.”