Conclusie
1.Inleiding
CZ/Momentum [1] en
Conductore/Achmea [2] uit 2014 respectievelijk 2019 is dit de derde keer dat een geschil over het hinderpaalcriterium aan uw Raad wordt voorgelegd. [3] Een procedureel verschil met de vorige twee zaken is dat het hier een collectieve actie betreft als bedoeld in art. 3:305a BW. Inzet van deze zaak is niet de hoogte van de vergoeding in een individueel geval.
Zilveren Kruis) tegen de Stichting (zaaknr. 21/00036) en van VGZ Zorgverzekeraar N.V. en Menzis Zorgverzekeraar N.V. (hierna:
VGZ c.s.) tegen de Stichting (zaaknr. 21/00057). Ik concludeer vandaag tevens in de andere twee zaken. De drie conclusies zijn zo veel mogelijk identiek.
2.Feiten en procesverloop
de rechtbank).
het hof). [8]
A. Voor recht verklaart dat verweerster(s) als zorgverzekeraar(s) wanneer zij de vergoeding van niet-gecontracteerde zorg bij naturapolissen (inclusief zogenaamde ‘budgetpolissen’) in hun polisvoorwaarden rechtstreeks relateert(relateren) aan het ‘
gemiddeld gecontracteerde tarief’, gehouden is(zijn) om, desgevraagd,
aan (niet-gecontracteerde) zorgaanbieders bewijs te leveren van de juistheid van de door haar(hen) als zodanig gepresenteerde tarieven.
een (on)gewogen gemiddeld gecontracteerd tarief minus een generieke korting van 20-30%, in strijd is met het hinderpaalcriterium, althans zolang sprake is van gelijke of vergelijkbare marktomstandigheden (in de zin van de verhouding tussen zorgkosten en de voor de gemiddeld (‘modale’) zorggebruiker ter dekking van dergelijke kosten beschikbare gelden) als ten tijde van het wijzen van dit arrest.
zorgverzekeraar(s) nietbij de bepaling van de vergoeding voor niet-gecontracteerde zorg (ex artikel 13 Zorgverzekeringswet Pro) bij naturapolissen (inclusief zogenaamde ‘budgetpolissen’)
een generiek zorgtype- en zorgkostenonafhankelijk kortingspercentage op een uitgangstarief in mindering mag(mogen) brengen, tenzij gebruik wordt gemaakt van een zodanig laag percentage dat het uitgangstarief minus de generieke korting ook bij duurdere of duurste zorgsoort voor de gemiddelde (‘modale’) patiënt geen feitelijke hinderpaal oplevert;
de tarieven voor gecontracteerde zorgtot uitgangspunt dienen te worden genomen, verweerster(s) als zorgverzekeraar(s) dergelijke tarieven
uitsluitend tot uitgangspunt mag (mogen) nemen indienzij inzichtelijk heeft (hebben) gemaakt, althans desgevraagd kan(kunnen) maken, dat die tarieven
marktconformzijn (in de zin van in de Nederlandse marktomstandigheden redelijkerwijs passend)
althans een verband bestaat met de reële kosten van concrete zorgproducten.
meewegen van hardheidsclausules en coulanceregelingen bij de beoordeling van de hinderpaaltoets ex art. 13 Zvw Pro in strijd is met art. 13 lid 4 Zorgverzekeringswet Pro, en/althans dat verweerster(s) als zorgverzekeraar(s) zich bij wege van verweer tegen een hinderpaalverwijt ex art. 13 Zvw Pro (dus) niet op dergelijke clausules en regelingen kan(kunnen) beroepen.
het arrest) en daarin, samengevat en voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen.
principaal appelstelt CZ stelt dat de Stichting niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat zij (i) niet voldoet aan de vereisten van art. 3:305a BW, en (ii) geen eigen zelfstandig belang heeft bij beantwoording van de vraag over de uitleg van art. 13 Zvw Pro. Het hof verwerpt dit betoog op beide gronden (rov. 4.2-4.5).
CZ/Momentumdat het hinderpaalcriterium onderdeel uitmaakt van art. 13 lid 1 Zvw Pro, niet langer houdbaar is en dat genoemd criterium bovendien in strijd is met Richtlijn 2009/138/EG [10] (hierna:
Solvabiliteit II) (rov. 4.6). Het hof oordeelt dat het hinderpaalcriterium (nog steeds) besloten ligt in art. 13 Zvw Pro (rov. 4.7) en niet in strijd is met Solvabiliteit II, althans dat strijd met Solvabiliteit II er niet toe kan leiden dat het hinderpaalcriterium geen onderdeel meer uitmaakt van art. 13 lid 1 Zvw Pro (rov. 4.8).
CZ/Momentumen
Conductore/Achmea(rov. 4.14-4.15). Het hof oordeelt dat het antwoord op de vraag of een generiek kortingspercentage in strijd is met het hinderpaalcriterium, niet in algemene zin kan worden beantwoord. Het hof geeft ook geen toelaatbare onder- en bovengrens. Of sprake is van een feitelijke hinderpaal zal vooral afhangen van de hoogte van de kosten van de zorg. Bij een dure behandeling levert een generiek kortingspercentage voor de verzekerde eerder een hinderpaal op dan bij een goedkope behandeling. Daarom is een generiek kortingspercentage niet fijnmazig genoeg. CZ zou een vergoedingssystematiek kunnen ontwikkelen per soort en per omvang van de ondergane zorg die enerzijds de vrije artsenkeuze beschermt, en anderzijds recht doet aan de regierol die de wetgever aan de zorgverzekeraars heeft gegeven om, onder andere, kostenbeheersing te bevorderen (rov. 4.17).
incidentele appelvan de Stichting verwerpt het hof de stelling van de Stichting dat het uitgangstarief het marktconforme tarief in de zin van art. 2.2 lid 2, onder b, Besluit ziektekostenverzekering moet zijn (rov. 5.2).
3.Juridisch kader: art. 13 Zvw Pro en het hinderpaalcriterium
naturapolisheeft de zorgverzekeraar een zorgplicht om de verzekerde te voorzien van de zorg die deze behoeft. De zorgplicht houdt in dat de zorgverzekeraar voor zijn verzekerden voldoende zorg inkoopt (art. 11 Zvw Pro). Daartoe sluit hij inkoopcontracten met zorgaanbieders. De bedoeling is dat de verzekerde zich wendt tot een zorgaanbieder die met zijn verzekeraar een contract heeft.
niet-gecontracteerde zorgaanbieders.
op een door de zorgverzekeraar te bepalen vergoeding van de voor de zorg of dienst gemaakte kosten” (lid 1). De wijze waarop de zorgverzekeraar de vergoeding berekent neemt hij op in zijn modelovereenkomst (lid 2). De wijze waarop de vergoeding wordt berekend is voor alle verzekerden die in een zelfde situatie een zelfde vorm van zorg of dienst behoeven, gelijk (lid 4). Dat laatste betekent dat niet op basis van persoonlijke kenmerken van de verzekerde gedifferentieerd kan worden. [17]
eigen bijdrage). [18] Zoals opgemerkt in de inleiding, nemen niet-gecontracteerde zorgaanbieders dit bedrag vaak voor hun rekening. In de gedingstukken wordt daarvoor de term
coulanceregelinggebruikt. [19] Daarvan moet worden onderscheiden de
hardheidsclausulein de polis van de zorgverzekeraar. Op grond daarvan kan de verzekerde de zorgverzekeraar verzoeken een hogere vergoeding toe te kennen dan waarop hij krachtens de polisvoorwaarden aanspraak kan maken.
restitutiepoliskunnen zich tot iedere zorgaanbieder wenden en krijgen de kosten van verleende zorg in beginsel volledig vergoed. Het maakt niet uit of zij naar een door hun zorgverzekeraar gecontracteerde zorgaanbieder gaan of naar een door deze niet-gecontracteerde zorgaanbieder. [20] Dat verklaart waarom een restitutiepolis (beperkt) duurder is dan een naturapolis. Aan de hoogte van de vergoeding van verleende zorg op grond van een restitutiepolis zijn wel wettelijke grenzen gesteld. [21]
Müller-Fauré. [23] Die veronderstelling is niet juist gebleken. [24] Toch was er een Unierechtelijk aandachtspunt: indien de Zvw niet zou voorzien in een verplichting voor de zorgverzekeraar om
eenvergoeding te betalen voor zorg verleend door een niet-gecontracteerde zorgaanbieder, dan zou dat vooral ten koste kunnen gaan van buitenlandse zorgaanbieders. Naar het oordeel van de regering lag hier een Europeesrechtelijk risico. Om te voorkomen dat Nederlandse zorgaanbieders benadeeld zouden worden ten opzichte van niet-gecontracteerde buitenlandse zorgaanbieders, is besloten het hinderpaalcriterium te veralgemeniseren.
CZ/Momentum [25] heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het hinderpaalcriterium ligt
beslotenin art. 13 lid 1 Zvw Pro. De Hoge Raad leidde uit de wetsgeschiedenis af dat zowel de regering als het parlement een hinderpaalcriterium noodzakelijk achtten mede vanwege “
de wens om de vrije artsenkeuze ook bij een naturapolis in bepaalde mate waarborgen” (rov. 3.5.6, slot).
[…]/Alog, [26] dat de contractsverhouding tussen een zorgverzekeraar en een verzekerde een schakel vormt waarmee de belangen van een niet-gecontracteerde zorgaanbieder zijn verbonden, zodat het de zorgverzekeraar niet onder alle omstandigheden vrijstaat de belangen die de zorgaanbieder kan hebben bij een behoorlijke nakoming van de verzekeringsovereenkomst, te verwaarlozen. Onder die behoorlijke nakoming valt het uitkeren van vergoedingen voor niet-gecontracteerde zorg die geen hinderpaal opleveren (rov. 3.6.1). Hieruit volgt dat ook niet-gecontracteerde zorgaanbieders een beroep kunnen doen op het hinderpaalcriterium.
hoogtevan de vergoeding voor niet-gecontracteerde zorg overwoog de Hoge Raad dat niet onbegrijpelijk was het oordeel van het hof dat een vergoedingspercentage van 75-80% kan worden beschouwd als een breed gedragen praktijknorm die geen hinderpaal oplevert (rov. 3.7.1 en 3.7.2).
CZ/Momentumzijn tal van procedures gevoerd over het hinderpaalcriterium. Ik verwijs naar de conclusie van A-G Timmerman vóór het arrest
Conductore/Achmea, onder 3.50-3.59.
Conductore/Achmea. [27] Conductore is een aanbieder van geestelijke gezondheidszorg. Van 2012 tot en met 2016 was Conductore ten opzichte van twee zorgverzekeraars (Zilveren Kruis Achmea Zorgverzekeringen N.V. en Interpolis Zorgverzekeringen N.V.) een niet-gecontracteerde zorgaanbieder. De zorgverzekeraars stelden de dekking voor niet-gecontracteerde zorg in 2013 en 2014 vast op 60% van het ‘marktconforme tarief’. [28] Na het arrest
CZ/Momentumwerd de vergoeding verhoogd naar 75% van het gemiddelde gecontracteerde tarief. Conductore meende echter dat zij recht had op een hogere vergoeding, overeenkomend met 100% van het NZa-tarief. De rechtbank wees de vorderingen van Conductore af. Het hof bekrachtigde en Conductore ging in cassatie.
de zorgverzekeraar een grote mate van vrijheid heeft om de hoogte van de vergoeding te bepalenen daarmee in concurrentie te treden met andere zorgverzekeraars,
mits hij daarbij (i) niet in strijd handelt met het(in art. 13 lid 1 Zvw Pro besloten liggende)
hinderpaalcriterium, en (ii)
voor alle verzekerdendie in een zelfde situatie een zelfde vorm van zorg of dienst behoeven,
dezelfde berekeningswijze hanteert(art. 13 lid 4 Zvw Pro).
geen steun voor de opvatting dat een zorgverzekeraar de vergoeding voor niet-gecontracteerde zorg slechts mag verminderen met de (gemiddelde) extra (administratie)kostendie zijn gemoeid met de afwikkeling van de niet-gecontracteerde zorg in kwestie. Deze opvatting zou ook afbreuk doen aan het door de wetgever gewenste stelsel van naturapolissen met een onderscheid tussen wel en niet-gecontracteerde zorg, en aan de daarmee verband houdende regierol van de zorgverzekeraars bij de inkoop van zorg teneinde de kosten van de gezondheidszorg te beheersen.
Aanvaarding van die opvatting zou immers meebrengen dat ook bij gebruik van niet-gecontracteerde zorg in feite recht bestaat op een nagenoeg volledige vergoeding.
evenmin steun voor de opvatting dat het hinderpaalcriterium zich in algemene zin verzet tegen een generieke korting, zoals de door Achmea c.s. gehanteerde ‘vlaktaks’ van 25%.
Of en in hoeverre het hinderpaalcriterium zich in bepaalde gevallen verzet tegen een generieke korting kan slechts worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden, waaronder eventuele beleidsregels van de NZa.
hof heeftoverwogen in de rov. 4.10-4.11 blijkt dat het heeft
onderkend dat in de zaak CZ Groep/Stichting Momentum GGZ noch het gerechtshof noch de Hoge Raad in algemene zin heeft geoordeeld dat een generieke vergoeding van 75-80% geldt als een breed gedragen praktijknorm die in overeenstemming is met het hinderpaalcriterium.
Indien de hoogte van de vergoeding voor niet-gecontracteerde zorg zou worden bepaald door de gemiddelde minst draagkrachtige zorggebruikerals referentiesubject te aanvaarden, zou voor zorggebruikers die niet behoren tot de categorie van de minst draagkrachtige zorggebruikers, deze prikkel voor een belangrijk deel wegvallen. Daarmee
zou het stelsel van de Zvw op onaanvaardbare wijze worden ondergraven.
Het hof heeft dan ook terecht geoordeeld dat bij een generieke korting als de onderhavige in het kader van art. 13 lid 1 Zvw Pro moet worden uitgegaan van de gemiddelde (‘modale’) zorggebruiker.”
Conductore/Achmeahebben zorgverzekeraars en niet-gecontracteerde zorgaanbieders elkaar regelmatig in de rechtszaal getroffen. Ik behandel hierna, in chronologische volgorde, enkele uitspraken uit de feitenrechtspraak.
Conductore/Achmea, oordeelt de voorzieningenrechter dat het hinderpaalcriterium zich niet in algemene zin verzet tegen de toepassing van een generieke korting en dat het onjuist is dat de vergoeding voor niet-gecontracteerde zorg slechts mag worden verminderd met de extra kosten die zijn gemoeid met de afwikkeling van niet-gecontracteerde zorg (rov. 2.2).
Conductore/Achmea.
Conductore/Achmea. Er is geen cassatie ingesteld.
Conductore/Achmea. Bij bepaalde gevallen gaat het, zo begrijpt het hof, niet om individuele gevallen maar om situaties met een gemene deler (rov. 15).
Conductore/Achmea). Daarbij moet worden uitgegaan van de gemiddelde (‘modale’) zorggebruiker (rov. 5.33).
de hinderpaal een gegeven is”. Om te beoordelen of sprake is van een hinderpaal is meer informatie nodig. Aangezien het ‘marktconforme tarief’ niet altijd het door de NZa bepaalde maximumtarief is, maar als resultaat van de onderhandelingen tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders daar onder kan liggen, volgt uit een en ander niet dat een vergoeding van minder dan 75% van het NZa-tarief altijd een feitelijke hinderpaal oplevert. Uit het arrest
Conductore/Achmeavolgt dat een generieke korting op zichzelf niet in strijd met art. 13 Zvw Pro kan worden geacht, meer specifiek een korting van 25% ten opzichte van het marktconforme tarief op zichzelf ook niet (rov. 12 en 13).
CZ/Momentumwees zijn pogingen ondernomen om het hinderpaalcriterium uit art. 13 Zvw Pro te schrappen. Zie Tekst & Commentaar: [38]
CZ/Momentumwas een daartoe strekkend wetsvoorstel aanhangig, dat door de Eerste Kamer op 16 december 2014 zou worden verworpen. [39] Redengevend daarvoor waren zorgen over de impact van de afschaffing van het hinderpaalcriterium op de vrije artsenkeuze. [40] In reactie hierop liet de minister-president in een brief van 18 december 2014 weten het niet aangenomen wetsvoorstel te zullen aanpassen en opnieuw in te dienen. [41] Daar is het echter niet van gekomen.
Hoofdlijnenakkoord wijkverpleging 2019 t/m 2022gesloten, waarin afspraken zijn gemaakt over verbetering van contractering en verhoging van de contracteergraad. [44] In juli 2018 werd het
Bestuurlijk akkoord geestelijke gezondheidszorg (GGZ) 2019 t/m 2022gesloten, met daarin vergelijkbare afspraken. [45]
Contracteren in de wijkverpleging
Conductore/Achmeahelder. Niettemin is de feitenrechtspraak, zoals wij zagen, verdeeld over de toepassing en uitwerking van dit uitgangspunt.
Conductore/Achmeaniet wordt beantwoord is bijvoorbeeld of de factuur van de niet-gecontracteerde zorgaanbieder tot deze ‘concrete feiten en omstandigheden’ behoort. Ik zou menen van niet: het factuurbedrag kan niet het uitgangspunt voor de vergoeding van de zorgverzekeraar bepalen. Deze vraag komt hierna aan bod in onderdeel 1 van het incidentele middel. Het is naar mijn mening het tarief dat de zorgverzekeraar voor een behandeling heeft afgesproken met gecontracteerde zorgaanbieders, dat uitgangspunt voor de vaststelling van de vergoeding dient te zijn. Welk tarief dat precies kan zijn, komt bij onderdeel 3 van het principale middel aan de orde. Op het uitgangstarief wordt vervolgens een korting toegepast. Of de korting moet worden gedifferentieerd naar zorgsoort of anderszins, komt aan de orde bij onderdeel 4 van het principale middel.
moetworden afgemeten aan de kosten van de niet-gecontracteerde zorgaanbieders. Uit de wetsgeschiedenis blijkt daarentegen wel dat voor het bepalen van het uitgangstarief
magworden aangeknoopt bij wat in Nederland gangbare kosten voor de aan de orde zijnde behandeling zijn. [51] De wetgever heeft toelaatbaar geacht dat de zorgverzekeraar, bij de vaststelling van wat in Nederland gangbare kosten zijn, kijkt naar de gecontracteerde tarieven.
minderdan het gemiddelde gecontracteerde tarief hebben gecontracteerd, de prikkel kunnen verliezen om in de toekomst opnieuw te contracteren. Dit effect heeft de potentie zichzelf te versterken omdat het gemiddeld gecontracteerde tarief wordt opgedreven als competitief prijzende zorgaanbieders afhaken. [52] Het risico dat het zorgstelsel hierdoor wordt ondermijnd lijkt serieus aanwezig.
4.Bespreking van het middel in het principaal beroep
Onderdeel 1houdt in dat de Stichting niet-ontvankelijk verklaard had moeten worden.
Onderdeel 2bestrijdt dat het hinderpaalcriterium (nog steeds) besloten ligt in art. 13 Zvw Pro. Ook betoogt het dat het hinderpaalcriterium in strijd is met Solvabiliteit II.
Onderdeel 3richt zich tegen het uitgangstarief dat CZ volgens het hof in acht moet nemen. Dat is belangrijk om te vast te stellen waarop mag worden gekort.
Onderdeel 4bestrijdt het oordeel dat CZ niet één generieke korting mag toepassen voor alle vormen van niet-gecontracteerde zorg.
Onderdeel 5is een voortbouwklacht.
Onderdeel 6richt zich tegen het oordeel dat CZ gehouden kan zijn in individuele gevallen bewijs te leveren voor de juistheid van door haar gepresenteerde tarieven.
Onderdeel 7houdt tot slot in dat CZ zich als verweer tegen een hinderpaalverwijt op een hardheidsclausule of coulanceregeling moet kunnen beroepen.
nietafhangt van de individuele omstandigheden waarin een verzekerde verkeert (het ‘per verzekerde in kwestie-criterium’). De vorderingen van de Stichting kunnen dus worden beoordeeld los van de bijzondere omstandigheden van iedere afzonderlijke verzekerde. De belangen die zij behartigt zijn voldoende gelijksoortig om in een collectieve actie te worden gebundeld.
Compaenwaarin is geoordeeld dat voor toepasselijkheid van de ‘schakeljurisprudentie’ (te kennen uit HR 24 september 2004, ECLI:NL:HR:2004: AO9069 inzake
[…]/
Alog) gevolgd door HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1646 inzake
CZ/
Momentumen HR 6 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3241 inzake
VGZ/
Nutricia) ‘niet mede vereist is dat de aangesproken partij is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst waarbij zij partij is en waarmee de belangen van die derde verbonden zijn’ (rov. 3.3.3).
concrete feiten en omstandigheden, waaronder eventuele beleidsregels van de NZa’) dient volgens het hof dan ook in die zin gelezen te worden. Of een generiek kortingspercentage in een bepaald geval in de weg staat aan het hinderpaalcriterium hangt af van de vraag om welke vorm van zorg het gaat en de kosten die daarmee gemoeid zijn. Als gezegd kan een kortingspercentage van 25%-35% zoals door CZ wordt gehanteerd bij een dure vorm van zorg wel en bij een goedkope vorm ervan geen hinderpaal opleveren voor een verzekerde om naar de zorgaanbieder van zijn keuze te gaan. Anders dan CZ betoogt zien de ‘concrete feiten en omstandigheden’ dus niet op individuele gevallen (het ‘per verzekerde in kwestie’- criterium) maar op de aan orde zijnde zorgvorm/type en de daaraan gerelateerde zorgkosten. (…)”
niet in algemene zinverzet tegen een generiek kortingspercentage, maar dat het hanteren van een dergelijke korting wel een feitelijke hinderpaal voor de verzekerde kan opleveren bij bepaalde vormen van ondergane zorg (de duurdere/duurste). Dit brengt mee dat ook de vordering onder C - met haar ‘negatieve’ vooropstelling dat zorgverzekeraars geen generiek kortingspercentage mogen hanteren - niet kan worden toegewezen.
de wijze waarop de vergoeding wordt berekend is voor alle verzekerden, bedoeld in het eerste lid, die in een zelfde situatie een zelfde vorm van zorg of dienst behoeven, gelijk’). Het gaat hier om een verboden onderscheid op bijvoorbeeld leeftijd, geslacht of gezondheid. De vraag of het meewegen van hardheidsclausules/coulanceregelingen een rol mag spelen bij het hinderpaalcriterium betreft een andere kwestie en heeft niets van doen met artikel 13 lid 4 Zvw Pro.”
CZ/Momentum, onder verwijzing naar de maatstaf uit het arrest
[…]/Alog, [58] geoordeeld dat de contractsverhouding tussen een zorgverzekeraar en een verzekerde een schakel vormt waarmee de belangen van een niet-gecontracteerde zorgaanbieder zijn verbonden (zie hiervoor, 3.10). Daardoor staat het de zorgverzekeraar niet onder alle omstandigheden vrij de belangen die de zorgaanbieder kan hebben bij een behoorlijke nakoming van de verzekeringsovereenkomst, te verwaarlozen. Een zorgverzekeraar kan dus onrechtmatig handelen jegens een niet-gecontracteerde zorgaanbieder als de hoogte van de door deze gehanteerde vergoeding een hinderpaal kan opleveren voor een verzekerde.
Conductore/Achmeawaaruit blijkt dat bij de beoordeling van een hinderpaalverwijt uitgegaan mag worden van de gemiddelde zorggebruiker. Het hof oordeelt vervolgens in rov. 4.17 en rov. 5.5, onder verwijzing naar rov. 3.1.4 van het arrest
Conductore/Achmea, dat bij een hinderpaalverwijt moet worden gekeken naar “concrete feiten en omstandigheden”. Dit heeft volgens het hof geen betrekking op de vraag of de korting voor de verzekerde in kwestie een hinderpaal oplevert, maar op de aan de orde zijnde zorgvorm en de daaraan gerelateerde kosten. Ongeacht of dit oordeel materieel gezien juist is (zie ook hierna, de bespreking van onderdeel 4) is in het licht daarvan niet onbegrijpelijk dat het hof de belangen die de Stichting behartigt voldoende gelijksoortig heeft gevonden.
kanzijn jegens niet-gecontracteerde zorgaanbieders neemt niet weg dat de vraag of dat ook zo
is, zich niet leent voor beantwoording in een collectieve actie. [59]
zorgaanbiedersbij naleving van art. 13 Zvw Pro. Uit het arrest kan worden afgeleid, althans ligt daar in besloten, dat het hof van oordeel is dat de Stichting opkomt voor de belangen van niet-gecontracteerde zorgaanbieders. Aan voornoemde stelling onder (i) is het hof dus niet voorbij gegaan.
CZ/
Momentumdat het hinderpaalcriterium onderdeel uitmaakt van artikel 13 Zvw Pro, niet langer houdbaar is omdat (na voormeld arrest) het aandeel niet-gecontracteerde zorg is gestegen, in ieder geval in bepaalde sectoren, mede als gevolg waarvan ook de totale zorgkosten zijn gestegen. Met het vasthouden aan het hinderpaalcriterium is de zorgverzekeraar feitelijk zijn instrument ontnomen om door selectieve inkoop kwalitatief goede en doelmatige zorg tegen aanvaardbare kosten te verwezenlijken. Contractering heeft alleen zin als er ook een prikkel is voor (natura)verzekerden om zorg af te nemen bij gecontracteerde zorgaanbieders met wie de zorgverzekeraar op het gebied van doelmatigheid en kostenbeheersing gerichte afspraken heeft gemaakt. Ontbreekt een dergelijke prikkel - hetzelfde geldt aan de kant van de zorgaanbieder - dan zullen de zorgkosten alleen maar toenemen. Anders dan de rechtbank overweegt, aldus nog steeds CZ, leidt een dergelijk terugkomen op het oordeel van de Hoge Raad over het hinderpaalcriterium in relatie tot artikel 13 Zvw Pro niet tot een ‘contra-legem’ uitleg van artikel 13 Zvw Pro. Het hinderpaalcriterium is namelijk niet neergelegd in artikel 13 Zvw Pro zelf maar is als toepasselijk criterium genoemd in de memorie van toelichting op deze bepaling (op basis van een overigens onjuiste uitleg van het arrest
Müller/
Faurévan het Hof van Justitie).
in de tekstvan artikel 13 Zvw Pro besloten ligt, kan van een contra legem uitleg in het geval van richtlijnconforme interpretatie geen sprake zijn, aldus CZ.
Naar het oordeel van het hof ligt het hinderpaalcriterium (nog steeds) besloten in artikel 13 Zvw Pro. De wetgever is er destijds nadrukkelijk van uitgegaan dat een vergoeding voor niet-gecontracteerde zorg bij een naturaverzekering niet zodanig laag mag zijn dat die een ‘feitelijke hinderpaal’ vormt voor het inroepen van zorg bij een niet-gecontracteerde (buitenlandse) zorgaanbieder (Kamerstukken II 2003-2004, 29 763, nr. 3, p. 31 en Kamerstukken II 2003-2004, 29 763, nr. 7, p. 29 en 98-99). De Hoge Raad heeft vervolgens niet alleen in 2014 (HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1646,
CZ-
Momentum) overwogen dat het hinderpaalcriterium onderdeel uitmaakt van artikel 13 Zvw Pro, maar heeft dit ook in 2019 (HR 7 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:853 (
Conductore B.V./
Zilveren Kruis Achmea c.s.) met zoveel woorden bevestigd. Het hof ziet in de door CZ genoemde redenen waarom het hinderpaalcriterium niet langer houdbaar zou zijn - wat er ook van die redenen zij - geen grond om dit uitgangspunt te verlaten.
Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of het hinderpaalcriterium, zoals dat besloten ligt in artikel 13 Zvw Pro, al dan niet in strijd is met artikel 206 van Pro de richtlijn Solvabiliteit II. CZ heeft niet (kenbaar) gegriefd tegen de vooropstelling van de rechtbank in rov. 5.17 dat aan een richtlijn geen rechten kunnen worden ontleend in horizontale geschillen zoals hier aan de orde is.
het algemeen belangwaarop de zorgverzekering betrekking heeft,
noodzakelijkom dit belang te beschermen en
proportioneelten opzichte van dit belang.
Conductore/Achmeahet hinderpaalcriterium niet heeft bevestigd. Het middel verzoekt uw Raad om op dit punt terug te komen op het arrest
CZ/
Momentum. [62]
Müller-Fauré [63] kan worden afgeleid
.In rov. 3.5.6 van het arrest
CZ/Momentumoordeelde de Hoge Raad echter dat het hinderpaalcriterium niettemin in art. 13 lid 1 Zvw Pro besloten ligt. Het enkele feit dat het arrest
Müller-Faurégeen basis biedt voor het hinderpaalcriterium brengt, zo oordeelt de Hoge Raad, niet mee dat het hinderpaalcriterium bij de uitleg van art. 13 lid 1 Zvw Pro betekenis mist (zie 3.8 en 3.9). Het middel bevat geen argument waarom de thans nog even wankele basis voor het hinderpaalcriterium in het Unierecht, tot een andere conclusie zou moeten leiden en uw Raad op het arrest
CZ/Momentumgedeeltelijk zou moeten terugkomen.
Conductore/Achmeahet hinderpaalcriterium in rov. 3.1.2 wel degelijk heeft bevestigd (mijn onderstreping):
mits hij daarbij (i) niet in strijd handelt met het (in art. 13 lid 1 Zvw Pro besloten liggende) hinderpaalcriterium, en (ii) voor alle verzekerden die in een zelfde situatie een zelfde vorm van zorg of dienst behoeven, dezelfde berekeningswijze hanteert (art. 13 lid 4 Zvw Pro).”
Derde schaderichtlijn.
verboden ingrijpen in de polisvoorwaarden van schadeverzekeringen betreft”. Tegen dat oordeel wordt in cassatie door de Stichting niet opgekomen. Gevolg is dat het partijdebat in cassatie (net als in hoger beroep) zich toespitst op de vraag of het hinderpaalcriterium voldoet aan de voorwaarden van de exceptie van (thans) art. 206 Solvabiliteit Pro II.
tariefvrijheid. Het is in beginsel niet toegestaan om
verzekeringspremiesaan voorschriften en voorafgaande controle te onderwerpen. [72] Er zijn mij geen voorbeelden bekend van zaken waarin het Hof van Justitie art. 181 Solvabiliteit Pro II (of de voorloper van deze bepaling, art. 29 Derde Pro schaderichtlijn) in vergelijkbare zin heeft toegepast op voorschriften ten aanzien verzekeringsvoorwaarden die zien op de ‘prestatiekant’ van een schadeverzekering, zoals de uit te keren vergoedingen of de te verlenen zorg. [73] De kennelijke aanname van het hof dat art. 181 ieder Pro ‘ingrijpen in polisvoorwaarden’ verbiedt, lijkt mij daarom niet zonder meer juist. [74]
contra legemzou zijn. Het middel acht dit onbegrijpelijks; de uitleg die CZ voorstaat is juist niet
contra legem. Ook is het oordeel onjuist, nu het hinderpaalcriterium niet uit de tekst van art. 13 Zvw Pro voortvloeit. Voorts is er geen aanwijzing dat wetgever en Hoge Raad bedoeld hebben af te wijken van Solvabiliteit II.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat CZ het gemiddeld gecontracteerde tarief als uitgangspunt mag nemen bij het bepalen van de vergoeding voor niet-gecontracteerde zorg bij naturapolissen. Uit de door de rechtbank in rov. 5.27 en 5.28 geciteerde passages uit de parlementaire geschiedenis leidt ook het hof af dat de wetgever een nadrukkelijk verband legt met de kosten van gecontracteerde zorg, wat aansluit bij het natura karakter van de polis, (bijv. ‘
Gevolg daarvan is echter wel, dat hij (de verzekerde, toevoeging hof) er rekening mee moet houden dat slechts een deel van de rekening wordt vergoed. Hoe hoog dat deel is, wordt door de zorgverzekeraar bepaald en in de zorgpolis weergegeven. (...) Indien voor de desbetreffende vorm van zorg geen Wtg-«punttarief» geldt, kan daarbij bijvoorbeeld worden uitgegaan van de gemiddelde prijs die de zorgverzekeraar voor de desbetreffende vorm van zorg aan wél door hem gecontracteerde aanbieders vergoedt, of van de prijs die hij vergoedt aan de wel door hem gecontracteerde zorgaanbieder die het dichtst bij de verzekerde is gevestigd[e]. Geldt een Wtg-punttarief dan is dat tarief bepalend. Het is derhalve aan iedere individuele verzekeraar om te bepalen welke bedragen hij aan een verzekerde die ondanks zijn zorgpolis naar een niet-gecontracteerde zorgaanbieder gaat, vergoedt’, Nota naar aanleiding van het verslag betreffende de Zvw, Kamerstukken II 2003- 2004, 29 763, nr. 7, p. 98).
Daaruit volgt ook dat zorgverzekeraars (zoals hier CZ), anders dan de Stichting heeft betoogd, niet gehouden zijn om het feitelijk gehanteerde tarief als uitgangspunt te hanteren.
tarief zou moeten gaan, sluit het hof zich bij het antwoord daarop aan bij het oordeel van de rechtbank (in rov. 5.31). Het hof is ook van oordeel dat een gewogen (in plaats van een ongewogen) gemiddelde van het daadwerkelijk gedeclareerde tarief voor een bepaalde zorgvorm, een realistisch beeld geeft van de kosten van de voor die zorgvorm gecontracteerde zorg.Daarbij zijn de uitschieters naar boven en naar beneden immers uitgevlakt. De wetgever heeft dit ook uitdrukkelijk als mogelijk uitgangstarief genoemd (naast het tarief van de dichtstbijzijnde zorgaanbieder).
Als het ongewogen gemiddeld gecontracteerde tarief tot uitgangspunt zou worden genomen, zou de vergoeding losgezongen kunnen raken van de daadwerkelijke kosten voor gecontracteerde zorg, hetgeen uitdrukkelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest.
CZ/
Momentumen de lagere rechtspraak waaronder het arrest van dit hof van 28 januari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:710) en de door de wetgever aan zorgverzekeraars toebedeelde regierol om de kosten te beheersen. Het door de Stichting gewenste uitgangspunt van het feitelijk gehanteerde tarief voor niet-gecontracteerde zorgaanbieders zou leiden tot een ongerechtvaardigd onderscheid tussen zorgaanbieders. Niet-gecontracteerde zorgaanbieders zouden dan bevoordeeld worden boven gecontracteerde zorgaanbieders voor wie het gemiddeld gecontracteerde tarief geldt. Bovendien zou het voor zorgaanbieders aantrekkelijker worden om geen contract met zorgverzekeraars te sluiten.
Zoals in het principaal hoger beroep is overwogen, mogen zorgverzekeraars van het gewogen gemiddeld gecontracteerde tarief uitgaan.”
gewogengemiddelde van het gecontracteerde of gedeclareerde tarief, tot uitgangspunt
moetennemen. De enige beperkingen aan de hoogte van de vergoeding zijn dat (i) de vergoeding geen hinderpaal mag opleveren, en (ii) voor alle verzekerden in dezelfde situatie een zelfde zorg of dienst behoeven dezelfde berekeningswijze moet hanteren (art. 13 lid 4 Zvw Pro). Deze vrijheid brengt mee dat CZ niet gehouden is om de kosten van de gecontracteerde zorg en/of (het gemiddelde van) het gecontracteerde of gedeclareerde tarief tot uitgangspunt moet nemen. Dat volgt ook niet uit de door het hof aangehaalde passages uit de wetsgeschiedenis, waarin enkel voorbeelden worden genoemd van hoe de vergoeding
kanworden bepaald. In ieder geval is het oordeel dat zorgverzekeraars de vergoeding moeten bepalen op basis van het
gewogengemiddelde van het daadwerkelijk gecontracteerde/gedeclareerde tarief, met die vrijheid onverenigbaar. [76]
gewogengemiddeld gecontracteerd tarief als uitgangstarief
maghanteren. Tot slot preciseert het hof evenwel, dat een
gewogengemiddeld tarief een realistisch beeld geeft van de kosten en aansluit bij de bedoeling van de wetgever. Dat geldt niet voor een
ongewogengemiddeld tarief, want daarbij “
zou de vergoeding losgezongen kunnen raken van daadwerkelijke kosten voor gecontracteerde zorg.”
toepassing van het ongewogen gemiddelde niet is toegestaan”, welke bewoordingen het hof in rov. 4.11 grotendeels overneemt. Ook G.J. de Groot merkt in zijn annotatie bij het bestreden arrest op dat het ‘uitgangstarief’ volgens het hof niet
magzijn het ongewogen gemiddeld gecontracteerde tarief. [77] Bij de bespreking van de klachten dient daarom van die lezing van het arrest te worden uitgegaan.
Wmg-tarief’: het tarief dat de NZa vaststelt in het kader van tariefregulering (zie 3.35). Dit (maximum of vast) tarief geldt zowel voor gecontracteerde als voor niet-gecontracteerde zorg. Een maximum Wmg-tarief staat er niet aan in de weg dat lagere tarieven worden overeengekomen.
Marktconform tarief’: dit tarief is gebaseerd op de kosten die ‘in de Nederlandse marktomstandigheden in redelijkheid passend zijn te achten’, als bedoeld in art. 2, lid 2, onder b), Besluit zorgverzekering. [79] Die bepaling is echter van toepassing op restitutiepolissen en niet op naturapolissen, waar deze zaak over gaat. De term ‘marktconform tarief’ werd voorheen ook, bijvoorbeeld in de zaak
CZ/Momentum, [80] gebruikt als synoniem voor het hierna genoemde ‘gemiddeld gecontracteerde tarief.’ [81] Dat had een zekere logica: dat tarief is de uitkomst van onderhandelingen op de zorginkoopmarkt en moet daarom marktconform worden geacht.
Gemiddeld gecontracteerde tarief’: het gemiddelde bedrag van alle tarieven die een zorgaanbieder voor een bepaalde zorgsoort met gecontracteerde zorgaanbieders is overeengekomen. Die tarieven zijn het resultaat van onderhandelingen en daarom marktconform te achten.
gecontracteerdezorg. [82] Het middel voert terecht aan dat de Hoge Raad in het arrest
Conductore/Achmeaslechts twee beperkingen heeft erkend op de vrijheid van zorgverzekeraars om de “
hoogte van de vergoeding voor niet gecontracteerde zorg” te bepalen, te weten (i) het hinderpaalcriterium en (ii) de verplichting voor alle verzekerden in dezelfde situatie dezelfde berekeningswijze te hanteren (art. 13 lid Pro 4Zvw). In dit verband moet evenwel duidelijk zijn dat het bij het uitgangstarief gaat om het vaststellen van de kosten
ten opzichte waarvande vergoeding moet worden berekend die aan voornoemde vereisten voldoet. De door de Hoge Raad in het arrest
Conductore/Achmeaonderkende vrijheid ziet op het vaststellen van die
vergoeding.
gemiddelde [83] van het door hen gecontracteerde tarief als uitgangspunt
mogenhanteren. De NZa acht dit in overeenstemming met art. 13 lid 1 Zvw Pro. [84] Het hof heeft dit overgenomen, in lijn met de bedoeling van de wetgever, die voor het bepalen van het uitgangstarief eveneens toelaatbaar heeft geacht dat wordt gekeken naar de gemiddelde gecontracteerde tarieven.
vervolgvraagis of het ‘gemiddeld gecontracteerde tarief’ een
gewogengemiddelde moet zijn of (ook) een
ongewogengemiddelde mag zijn. De NZa heeft zich, voor zover valt na te gaan, hierover (nog) niet uitgelaten. Niet is duidelijk is wat bij een weging de te hanteren wegingsfactor zou (moeten) zijn. [86]
ongewogengemiddeld gecontracteerde tarief,
zondercorrectie op het aantal verrichte behandelingen, gelijk aan het gemiddelde tarief dat de zorgverzekeraar met gecontracteerde zorgaanbieders is overeengekomen. Dat is de som van de tarieven in kolom 2, gedeeld door het aantal gecontracteerde zorgaanbieders in kolom 1, namelijk 550 : 6 =
91,6. Het
ongewogengemiddeld gecontracteerde tarief,
métcorrectie op het aantal verrichte behandelingen, is gelijk aan de totale kosten in kolom 4, gedeeld door het totale aantal behandelingen in kolom 3, namelijk 7.540 : 80 =
94,25.
gewogengemiddelde gecontracteerde tarief te berekenen ken ik in bovenstaande voorbeeld aan iedere 10 declaraties een wegingsfactor van 1 toe. Zorgaanbieders die minder dan 10 declaraties indienen neem ik niet mee:
96,21.
gewogengemiddelde wegen de tarieven betaald aan zorgaanbieders die een behandeling vaak declareren zwaarder dan de tarieven van zorgaanbieders die een gering aantal behandelingen declareren. Indien één enkele declaratie zou volstaan om het daarbij toegepaste tarief even zwaar te laten wegen als het tarief van een zorgaanbieder die dezelfde behandeling 100 keer per jaar uitvoert, dan zou inderdaad een minder representatief beeld kunnen ontstaan, zoals het hof overweegt aan het slot van rov. 4.11.
reële extra kosten” voor niet-gecontracteerde zorg of tot de “
feitelijke inkoopkosten”. Als het hof het oordeel van de rechtbank op dit punt onderschrijft, is dat onbegrijpelijk en onjuist om de in onderdeel 3.1 genoemde redenen, aldus de klacht. [90]
uitgangstarief. [91] De stellingen waarvan het middel betoogt dat zij onbesproken zijn gebleven, gaan over de
kortingop het uitgangstarief. In haar schriftelijke toelichting onder 3.9 verwijst CZ ook naar rov. 5.37-5.38 van het vonnis waarin de rechtbank de toelaatbare kortingen op het uitgangstarief bespreekt. Over de korting gaat onderdeel 4 van het middel.
reële extra kosten” voor niet-gecontracteerde zorg dan wel aan de “
feitelijke inkoopkosten”. In de rechtsoverwegingen waarin het hof de toelaatbare kortingen op het uitgangstarief bespreekt, overweegt het dat CZ minimaal het gemiddeld gecontracteerde tarief tot uitgangspunt mag nemen, en daarop kosten in mindering mogen worden gebracht. In rov. 4.15 verwijst het hof voorts naar de overweging in het arrest
Conductore/Achmeadat de zorgverzekeraar de vergoeding voor niet-gecontracteerde niet slechts mag verminderen met de (gemiddelde) extra (administratie)kosten die zijn gemoeid met de afwikkeling van niet-gecontracteerde zorg. Ook de overwegingen met betrekking tot de toelaatbaarheid van generieke kortingen – die naar hun aard losstaan van specifieke kosten – veronderstellen dat de korting geen verband hoeft te houden met de kosten. In zoverre faalt de klacht bij gebrek aan feitelijke grondslag.
onderdeel 3.1gegrond is. De in dat onderdeel aangevoerde klachten kunnen echter niet tot cassatie leiden, nu het dictum van het bestreden arrest daarover geen beslissing bevat die wordt gedragen door (een van) de oordelen waartegen die klachten opkomen. Dit is het gevolg van de wijze waarop deze procedure is opgezet en waar het hof in rov. 6 ook op ingaat (zie 2.19). Overigens strekte geen van de door de Stichting gevorderde verklaringen voor recht ertoe te bepalen dat zorgverzekeraars geen ongewogen gemiddeld gecontracteerd tarief mogen hanteren als uitgangstarief waaraan een bepaalde korting wordt gerelateerd.
de vraag worden beantwoord of het CZ is toegestaan om een generiek kortingspercentage- het hof begrijpt: onafhankelijk van het type zorg en onafhankelijk van de daarbij behorende zorgkosten -
op het uitgangstarief toe te passen.
Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend. Daartoe geldt het volgende.
CZ/
Momentum(HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1646).
De Hoge Raad heeft in dit arrest niet geoordeeld dat een generiek kortingspercentage is toegestaan, maar wel dat in dit specifieke geval het oordeel van het hof dat een vergoeding van 75-80% geen feitelijke hinderpaal oplevert niet onbegrijpelijk is. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 7 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:853 (
Conductore B.V./
Zilveren Kruis Achmea c.s.) een nadere uitleg gegeven over het hinderpaalcriterium in relatie tot de vergoeding door verzekeraars van niet-gecontracteerde zorg (artikel 13 Zvw Pro).
Of en in hoeverre het hinderpaalcriterium zich in bepaalde gevallen verzet tegen een generieke korting slechts kan worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden, waaronder eventuele beleidsregels van de NZa.”(rov. 3.1.4).
Volgens CZ is een generieke korting toegestaan, die voor meerdere (of alle) vormen van niet-gecontracteerde zorg gelijk is. Zij wijst hiervoor naar de door haar genoemde parlementaire geschiedenis en het
Conductore-arrest.
De enige ‘buitengrens’ die de Hoge Raad aan de vrijheid van de zorgverzekeraar stelt is het hinderpaalcriterium: de vergoeding mag niet zodanig laag zijn dat deze daardoor voor de verzekerde een feitelijke hinderpaal zou vormen om zich tot een niet-gecontracteerde zorgaanbieder van zijn keuze te wenden.
De vraag óf hiervan sprake is, moet volgens CZ aan de hand van concrete feiten en omstandigheden van een specifiek geval worden bepaald en kan dus niet in abstracto worden aangenomen.
Het hof verwerpt dit betoog. Het antwoord op de vraag of het door de zorgverzekeraar(in dit geval CZ) gehanteerde generieke kortingspercentage in strijd is met het hinderpaalcriterium, kan niet in zijn algemeenheid worden beantwoord. Evenmin kan het hof een toelaatbare onder- en bovengrens geven.
Of sprake is van een feitelijke hinderpaal zal vooral afhangen van de hoogte van de kosten van de zorg. Een korting van 20-25% op een (eenmalige) rekening van € 800,- bij een kleine en goedkope ingreep zal in het algemeen geen hinderpaal hoeven op te leveren, maar op een rekening van € 50.000,- bij een complexe en dure operatie kan dit wel het geval zijn. Dit betekent echter niet dat per individueel geval bepaald zal moeten worden of sprake is van een hinderpaal. Bij de vraag of een generiek kortingspercentage een feitelijke hinderpaal voor het inroepen van niet-gecontracteerde zorg oplevert, moet immers worden uitgegaan van de gemiddelde (‘modale’) zorggebruiker, zoals de Hoge Raad ook in het Conductore/ Zilveren Kruis Achmea- arrest heeft bepaald (rov. 3.3.2).
Omdat een generiek kortingspercentage bij in ieder geval de duurdere en/of duurste vormen van zorg een hinderpaal kan opleveren, is het gebruik ervan niet fijnmazig genoeg. Zorgverzekeraars (in dit geval CZ) zouden een vergoedingssystematiek kunnen ontwikkelen per soort en per omvang van de ondergane zorg die enerzijds de vrije artsenkeuze beschermt en anderzijds recht doet aan de regierol die de wetgever aan de zorgverzekeraars heeft gegeven om onder andere kostenbeheersing te bevorderen.
concrete feiten en omstandigheden, waaronder eventuele beleidsregels van de NZa’) dient volgens het hof dan ook in die zin gelezen te worden.
Of een generiek kortingspercentage in een bepaald geval in de weg staat aan het hinderpaalcriterium hangt af van de vraag om welke vorm van zorg het gaat en de kosten die daarmee gemoeid zijn. Als gezegd kan een kortingspercentage van 25%-35% zoals door CZ wordt gehanteerd bij een dure vorm van zorg wel en bij een goedkope vorm ervan geen hinderpaal opleveren voor een verzekerde om naar de zorgaanbieder van zijn keuze te gaan. Anders dan CZ betoogt zien de ‘concrete feiten en omstandigheden’ dus niet op individuele gevallen (het ‘per verzekerde in kwestie’- criterium) maar op de aan orde zijnde zorgvorm/type en de daaraan gerelateerde zorgkosten.
Naar een niet-gecontracteerde zorgaanbieder
60(= 75% van het maximum van 80). Als het gemiddeld gecontracteerde tarief op 95 ligt, dan wordt
67,5vergoed (75% van de nota van 90). Uitgegaan wordt dus van het laagste van de twee getallen. De eerste situatie zal zich vermoedelijk vaker voordoen, omdat verwacht mag worden dat de zorgverzekeraar scherp inkoopt. Op dat uitgangstarief (80 in het voorbeeld) wordt dan de vaste korting van (in het voorbeeld) 25% toegepast.
generieke karaktervan de korting bestaat er uit dat over de hele linie van door de zorgverzekering gedekte zorgsoorten, een zelfde kortingspercentage wordt gehanteerd. Er wordt niet gedifferentieerd naar zorgvorm of naar zorgkosten. Voor dure zorgvormen geldt een zelfde percentage als voor simpele behandelingen. Een vast kortingspercentage heeft daarnaast een
forfaitair karakter. Er wordt immers geabstraheerd van de hoogte van de kosten die de behandeling bij een niet-gecontracteerde aanbieder voor de zorgverzekeraar heeft veroorzaakt. Beide aspecten, generiek en forfaitair, zijn hier aan de orde.
Conductore/
Achmea, de tekst van art. 13 lid 1 Zvw Pro én de totstandkomingsgeschiedenis van de Zvw, geen steun bieden voor de opvatting dat het hinderpaalcriterium zich in algemene zin verzet tegen een generieke korting op het uitgangstarief. Niet kan dus in algemene zin worden gezegd dat een zorgverzekeraar niet één en dezelfde (generieke) korting mag toepassen voor alle typen of vormen van niet-gecontracteerde zorg. [93]
Conductore/Achmeakan worden afgeleid. De Hoge Raad oordeelde daar dat het hinderpaalcriterium zich
niet in algemene zin verzettegen een generieke korting (rov. 3.1.4). Dat wordt slechts anders als die generieke korting kan leiden tot een feitelijke hinderpaal (lid 1) of tot het maken van onderscheid tussen verzekerden (lid 4). Of een generieke korting kan leiden tot een feitelijke hinderpaal dient te worden bepaald “
aan de hand van concrete feiten en omstandigheden” (zie 3.14).
Conductore/Achmeagenoemde ‘concrete feiten en omstandigheden’ (rov. 3.1.4). De hoge kosten die bepaalde zorgvormen met zich meebrengen ziet het hof kennelijk als ‘omstandigheden’ die meebrengen dat een generieke korting een hinderpaal kan opleveren. Voor duurdere zorgvormen zal de zorgverzekeraar een lagere, afzonderlijke korting moeten bepalen. [95] Naar mijn mening valt dat oordeel niet goed te rijmen met het zojuist aangehaalde oordeel in het arrest
Conductore/Achmeadat het hinderpaalcriterium
zich in algemene zin niet verzet tegen een generieke korting. Dat er dure en minder dure zorgvormen zijn is van alle tijden en algemeen bekend, maar dat heeft de Hoge Raad er niet van weerhouden om aldus te oordelen.
percentage. De hoogte van dat percentage kán een ‘omstandigheid’ vormen die een feitelijke hinderpaal oplevert. In deze zaak wordt echter juist geabstraheerd van welk percentage dan ook. Het hof heeft dat onderkend (zie rov. 6), maar oordeelt niettemin dat een generieke korting als zodanig – dus ongeacht het percentage – niet kan worden toegestaan. Dat oordeel geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
uitgangstarief in combinatie met het percentage van de korting. Populair gezegd: de uitkomst onder de streep. Hoe hoger het kortingspercentage ten opzichte van het uitgangstarief, hoe groter de kans zal zijn dat zich een feitelijke hinderpaal voordoet. Als de redenering van het hof wordt doorgetrokken, zou een (fictieve) generieke korting van slechts 1% ook niet mogen puur omdat differentiatie ontbreekt, terwijl de werkelijk kans op een hinderpaal in dat geval (zeer) gering zou moeten zijn. Het hof heeft miskend dat het erom gaat of een toegepaste korting, enkel gelet op de concrete feiten en omstandigheden, een feitelijke hinderpaal kan opleveren. [96] In algemene zin mogen zorgverzekeraars (ongedifferentieerde) generieke kortingen toepassen.
forfaitaire karaktervan de korting heb genoemd. Nu het bedrag van de korting een vast percentage is, weerspiegelt het niet noodzakelijkerwijs de reële kosten voor de zorgverzekeraar die zijn toe te rekenen aan door een verzekerde ingeroepen niet-gecontracteerde zorg. Indien de zorgverzekeraar verplicht zou zijn om de korting te beperken tot een bedrag dat overeenkomt met de veroorzaakte reële kosten, dan zou zogenoemde ‘kostenoriëntatie’ worden geëist voor de kortingen op de vergoedingen ex art. 13 lid 1 Zvw Pro. Dat zou een ingrijpende verandering te weeg brengen in uitvoeringspraktijk. De NZa stelt die eis niet. Het is ook de vraag of daarvoor een wettelijke grondslag zou bestaan.
.Dit standpunt is in algemene zin door de Hoge Raad verworpen in het arrest
Conductore/Achmea(rov. 3.1.3).
moetenwerken, dan is dat oordeel onjuist althans onvoldoende gemotiveerd. Zulks vloeit namelijk niet voort uit het arrest
Conductore/Achmea. Als gezegd volgt daar juist uit dat het hinderpaalcriterium zich niet in algemene zin tegen een generieke korting verzet. Bovendien kan het oordeel van het hof dat een generieke korting bij dure zorg een hinderpaal
kanzijn, de conclusie niet dragen dat CZ geen generieke korting mag toepassen voor alle typen of vormen van niet-gecontracteerde zorg. Hierbij is van belang dat het enkele kortingspercentage in de polisvoorwaarden niet volstaat om een feitelijke hinderpaal aan te nemen. Daarbij moet ook gekeken worden naar toepassing van hardheidsclausules en kosten die door de zorgaanbieder worden gedragen. Tot slot is de door het hof voorgestane gedifferentieerde korting in de praktijk onuitvoerbaar. [101]
kanertoe kan leiden dat bij dure vormen van zorg een generieke korting sneller een feitelijke hinderpaal voor de verzekerde zal opleveren. Anders dan het hof heeft geoordeeld, betekent dit echter niet dat bedoelde fijnmazigheid steeds is vereist om strijd met het hinderpaalcriterium te voorkomen. Bovendien mag de door het hof geboden differentiatie niet leiden tot een verkapte discriminatie. Bijvoorbeeld als voor zorgvormen waar naar verhouding meer vrouwen of meer ouderen beroep op doen een hogere korting (en daarom een lagere procentuele vergoeding) zou gelden dan voor andere soorten. Differentiatie kan oorzaak van nieuwe geschillen worden omdat er objectieve en transparante criteria moeten zijn op grond waarvan de gedifferentieerde percentages worden vastgesteld.
onderdeel 4.1 en onderdeel 4.4 (gedeeltelijk) gegrondzijn. De in die onderdelen aangevoerde klachten kunnen echter niet tot cassatie leiden, nu het dictum van het bestreden arrest daarover geen beslissing bevat die wordt gedragen door (een van) de oordelen waartegen die klachten opkomen. Dit is het gevolg van de wijze waarop deze procedure is opgezet en waar het hof in rov. 6 ook op ingaat. Bovendien heeft het hof vordering C van de Stichting niet toegewezen. Die vordering strekte ertoe dat zorgverzekeraars niet “
een generiek zorgtype- en zorgkostenonafhankelijk kortingspercentage op een uitgangstarief in mindering mogen brengen”. Toewijzing van die vordering ligt ook niet besloten in de bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank, nu daarin de vorderingen van de Stichting juist (integraal) zijn afgewezen.
hebbenom de juistheid van de gepresenteerde tarieven (waarmee is bedoeld het gemiddelde gecontracteerde tarief dat als uitgangstarief wordt gehanteerd) aan te tonen. Het hof heeft enkel overwogen dat die verplichting er
kanzijn in een individuele zaak, als daartoe een concreet verzoek wordt gedaan. Dat die informatieplicht er in dat geval kan zijn lijkt mij overigens niet onjuist, ook omdat het op de weg van de zorgverzekeraar kan liggen om in een individueel geval aan te tonen dat een bij hem ingediende declaratie onredelijk hoog is. [104]
de wijze waarop de vergoeding wordt berekend is voor alle verzekerden, bedoeld in het eerste lid, die in een zelfde situatie een zelfde vorm van zorg of dienst behoeven, gelijk’). Het gaat hier om een verboden onderscheid op bijvoorbeeld leeftijd, geslacht of gezondheid. De vraag of het meewegen van hardheidsclausules/coulanceregelingen een rol mag spelen bij het hinderpaalcriterium betreft een andere kwestie en heeft niets van doen met artikel 13 lid 4 Zvw Pro.
de gevraagde verklaring voor rechtdat zorgverzekeraars zich bij wege van verweer tegen een hinderpaalverwijt ex artikel 13 Zvw Pro niet op hardheidsclausules / coulanceregelingen kunnen beroepen,
zal worden toegewezen.”
hardheidsclausuleniet betrokken mag worden bij de beoordeling van de vraag of sprake
isvan een hinderpaal.
gebruik van hardheidsclausules ter bepaling van de hoogte van de vergoeding” met art. 13 lid 2 Vzw Pro in strijd is. [106]
wordt gebruikt ter bepaling van de hoogte van genoemde vergoeding”, lijkt daarentegen niet geheel juist. De vergoeding ex art. 13 lid 1 Zvw Pro wordt gebaseerd op de polisvoorwaarden. Het toepassen van een hardheidsclausule kan er slechts toe leiden dat de vergoeding in een individueel geval
hogeruitkomt dan het bedrag waar op grond van de polisvoorwaarden aanspraak op bestaat.
isvan een hinderpaal, niet kan worden beantwoord op het moment van kennisneming van de polisvoorwaarden. De te maken beoordeling zal afhangen van concrete feiten en omstandigheden die op dat moment niet bekend en vaak ook niet voorzienbaar zijn. In voorkomend geval kan een beroep op de hardheidsclausule ertoe leiden dat een eventuele hinderpaal alsnog wordt weggenomen. Ik wijs erop dat de Stichting dit ook lijkt te erkennen. Zij betoogt in onderdeel 1 van haar incidentele beroep namelijk dat voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een feitelijke hinderpaal, moet worden gekeken naar het verschil tussen het feitelijk door een niet-gecontracteerde zorgaanbieder gehanteerde (marktconforme) tarief en de door de zorgverzekeraar onder de streep te betalen vergoeding. Dit wijst erop dat ook de Stichting beslissende betekenis toekent aan de vergelijking tussen gemaakte kosten en vergoede kosten. Daargelaten dat daarbij naar mijn mening niet moet worden uitgegaan van de kosten van de niet-gecontracteerde zorgaanbieder (zie 3.47 e.v.), gaat het er mij op deze plaats om dat ook de Stichting zelf kennelijk uitgaat van een vergelijking die niet reeds kan worden gemaakt bij het afsluiten van de verzekeringsovereenkomst.
is, geeft derhalve blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
coulanceregelingen. Daarbij neemt de niet-gecontracteerde zorgaanbieder (een groot gedeelte van) het verschil tussen de gedeclareerde kosten en de door de verzekeraar vergoede kosten voor zijn rekening zodat de cliënt niet met een eigen bijdrage wordt geconfronteerd en dus niet in zijn portemonnee voelt dat de hem verleende zorg niet volledig door zijn zorgverzekering wordt gedekt.
hoeft nietvan de factuur van de niet-gedeclareerde zorgaanbieder uit te gaan. De vraag naar eventuele coulancebetalingen is daarom alleen relevant als die betalingen ook de korting op het uitgangstarief (geheel of gedeeltelijk) compenseren.
ontkennendbeantwoord. Ik verwijs naar:
Conductore/Achmea, onder verwijzing naar de zojuist geciteerde rechtsoverweging in de uitspraak in de zaak
CrisisCare, heeft opgemerkt dat
wel rekeningmag worden gehouden met coulancebetalingen door de niet-gecontracteerde zorgaanbieder:
nietbeslissend.
eerste grondis tekstueel: de hinderpaaltoets ziet volgens art. 13 lid 1 Zvw Pro enkel op de aldaar genoemde vergoeding. [117] Dat is juist, echter indien de zorgaanbieder een deel van zijn declaratie kwijtscheldt vormt dit een mee te wegen ‘concreet feit of omstandigheid’ bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een hinderpaal (vgl. arrest
Conductore/Achmea,rov. 3.1.4). De door een niet-gecontracteerde zorgaanbieder gehanteerde coulanceregeling dient daarom niet haar aard buiten beschouwing te blijven, zoals het hof heeft beslist.
tweede grondwaarop een kwijtschelding door niet-gecontracteerde zorgaanbieders volledig buiten beschouwing zou dienen te blijven heeft te maken met de billijkheid van de uitkomst. Het kan onbevredigend voelen dat de betrokken zorgaanbieders vrijwillig het verschil tussen de behandelkosten en de vergoeding dekken, waardoor er geen hinderpaal (meer) zou zijn en de zorgverzekeraars daar als het ware mee wegkomen. Bij nadere beschouwing is dit punt echter eerder retorisch dan inhoudelijk te noemen.
substantieellager dient te liggen dan de (gemiddelde) kosten van de gecontacteerde zorg om te voorkomen dat zorgaanbieders een verminderde prikkel hebben om overeenkomsten met zorgverzekeraars te sluiten. Over de vraag wat onder ‘substantieel’ moet worden verstaan, kunnen uiteenlopende opvattingen bestaan. Het middel nodigt niet uit daarover een oordeel te geven. Maar het lijkt niet te gewaagd om te veronderstellen dat de overgrote meerderheid van patiënten in de sectoren die in de ‘hinderpaalrechtspraak’ veel langs komen (verslavingszorg, ggz, e.a.) gezien hun draagkracht ook een hinderpaal kunnen ervaren als zij slechts een fractie van de zorgkosten zelf zouden moeten betalen. Als de vergoedingen van de zorgverzekeraar daarop zouden moeten worden aangepast dan zou er voor een korting op het uitgangstarief niet of nauwelijks ruimte zijn. Dat zou zich niet verdragen met het zo juist genoemde uitgangspunt.
Onderdeel 7.2stelt dat het hof voorbij is gegaan aan stellingen van CZ over de betekenis van de term ‘coulance’. CZ heeft betoogd dat geen sprake zou zijn van ‘coulance’, maar van een bewuste bedrijfsmatige keuze. [119]
Onderdeel 7.3betoogt, in het verlengde van onderdelen 7.1-7.2, dat het er niet toe doet dat de verzekerde het initiatief moet nemen tot toepassing van een hardheidsclausule of een coulanceregeling, en/of de beslissing over de toepassing van een hardheidsclausule in eerste instantie bij de verzekeraar zou berusten. Ook omstandigheden waarvoor (enig) initiatief van verzekerden wordt gevergd kunnen van belang zijn bij de beoordeling van een hinderpaalverwijt. Bovendien passen zorgverzekeraars ook regelmatig uit zichzelf een hardheidsclausule toe. [120]
Onderdeel 7.4is een voortbouwklacht.
dat de zorgverzekeraars zich bij wege van verweer tegen een hinderpaalverwijt ex artikel 13 Zvw Pro niet op hardheidsclausules/coulanceregelingen kunnen beroepen”. Voor het overige heeft het hof de vorderingen van de Stichting afgewezen, en beogen de klachten op dit punt geen vernietiging van het dictum.
5.Bespreking van het cassatiemiddel in het incidenteel cassatieberoep
Onderdeel Ihoudt in dat bij beoordeling van de vraag of een bepaalde vergoeding een hinderpaal oplevert, de daadwerkelijke kosten als uitgangstarief moeten worden genomen.
Onderdeel IIbestrijdt de afwijzing van de gevorderde verklaring voor recht dat het meewegen van hardheidsclausules en coulanceregelingen bij een hinderpaalverwijt in strijd is met art. 13
lid 4Zvw.
Onderdeel III, dat voorwaardelijk is ingesteld, richt zich tegen het oordeel dat zorgverzekeraars geen rechtsplicht hebben om bewijs te leveren van de juistheid van door hen gepresenteerde tarieven.
Als een niet-gecontracteerde zorgaanbieder de werkelijke kosten vergoed zou krijgen, dan zou dit niet stroken met de systematiek van de Zvw(zie ook rov. 3.3.2 van het arrest Conductore/ Zilveren Kruis Achmea waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat het uitgangspunt van het stelsel van de Zvw is dat het niet volledig vergoeden van niet-gecontracteerde zorg als prikkel dient voor iedere zorggebruiker om gebruik te maken van gecontracteerde zorg), de bestendige jurisprudentie hierover (bijvoorbeeld HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1646
CZ/Momentumen de lagere rechtspraak waaronder het arrest van dit hof van 28 januari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:710) en de door de wetgever aan zorgverzekeraars toebedeelde regierol om de kosten te beheersen.
Het door de Stichting gewenste uitgangspunt van het feitelijk gehanteerde tarief voor niet-gecontracteerde zorgaanbieders zou leiden tot een ongerechtvaardigd onderscheid tussen zorgaanbieders.
Niet-gecontracteerde zorgaanbieders zouden dan bevoordeeld worden boven gecontracteerde zorgaanbieders voor wie het gemiddeld gecontracteerde tarief geldt. Bovendien zou het voor zorgaanbieders aantrekkelijker worden om geen contract met zorgverzekeraars te sluiten.
op zichzelfvrij zijn om het (gewogen) gemiddeld gecontracteerde tarief tot uitgangspunt te nemen. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een hinderpaal, moet echter worden gekeken
naar het verschil tussen het feitelijk door niet-gecontracteerde zorgaanbieders gehanteerde (marktconforme) tarief, en de door de zorgverzekeraar onder de streep te betalen vergoeding. Voorts klaagt het middel over de begrijpelijkheid van het oordeel. Het hof oordeelt namelijk dat de eerste grief betrekking heeft op het uitgangstarief (door de Stichting aangeduid als de ‘eerste afslag’). Deze eerste afslag is gekoppeld aan de werkelijke kosten. Deze vooropstelling impliceert dat nog een tweede afslag volgt: namelijk de korting op het uitgangstarief. In het vervolg van de behandeling van de eerste grief leest het hof deze echter aldus dat de Stichting zou hebben betoogd dat de tweede afslag als zodanig achterwege zou moeten blijven, en de niet-gecontracteerde aanbieder “de werkelijke kosten vergoed” zou moeten krijgen. Dit oordeel is onbegrijpelijk in het licht van de stellingen van de Stichting, aldus het middel.
nietuitstrekt tot de inkomens- en vermogenspositie van verzekerden. Met het door art. 13 lid 4 Zvw Pro verboden onderscheid wordt gedoeld op verzekerdenkenmerken. [121] Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Zvw blijkt dat de wetgever daarbij heeft gedacht aan aspecten als leeftijd, geslacht, woonregio, farmaceutische kostengroepen en diagnose-kostengroepen. Gedacht is dus aan kenmerken die (kunnen) leiden tot hogere zorgkosten.
6.Slotbeschouwing
ondergrensaan te houden. Is een zorgverzekeraar van oordeel dat een lager vergoedingspercentage passend is, dan zal hij dat moeten aantonen. Daarnaast zou kunnen worden overwogen een
bovengrensvast te stellen die recht doet aan de door de wetgever noodzakelijk geachte afstand tot de tarieven van gecontracteerde zorg. Als het toegepaste percentage volgens een verzekerde voor hem een hinderpaal oplevert, zou deze een hogere vergoeding moeten kunnen vragen tot maximaal die bovengrens. Differentiatie van het percentage naar zorgsoort zou een mogelijkheid zijn, maar niet een verplichting.
7.Conclusie
in het principaal cassatieberoeptot vernietiging van het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in zaak nr. 200.259.907, maar uitsluitend voor zover in het dictum is beslist dat de zorgverzekeraars zich bij wege van verweer tegen een hinderpaalverwijt ex art. 13 Zvw Pro niet op hardheidsclausules/coulanceregelingen kunnen beroepen, en voor het overige tot verwerping.
in het incidenteel cassatieberoeptot verwerping.